Cliënten van Van Welie Accountants ontvangen eerder
informatie via onze nieuwsbrief.
Kantoorruimte te huur !
Op zoek naar kantoorruimte in Harderwijk? Dan weten wij nog enige kamers
op een mooie locatie beschikbaar voor u. Vanaf € 100 per
m2 per jaar excl. btw. Ook voor kortere duur. Neem even kontakt met ons op.
Nieuw! Nu online up-to-date informatie uit uw boekhouding raadplegen
Cliënten waarvoor wij maandelijks of per kwartaal de financiële administratie verzorgen kunnen nu online managementinformatie raadplegen door in te loggen op Dashboard Online. In tegenstelling met een online boekhoudpakket dat alleen de (mogelijk niet complete) opstelling uit de boekhouding op dat moment weergeeft krijgt u nu de managementrapportage waar u iets aan heeft.
Actuele cijfers kunnen vergeleken worden met vorige perioden maar ook met een prognose. Kengetallen en grafieken geven u een beeld van de ontwikkelingen. Meer informatie? Neem dan even kontakt met ons op.
Uw btw terugvragen van niet betalende cliënten
Heeft u in 2007 dubieuze debiteuren gehad? Als u weet dat zij niet meer zullen betalen, kunt u bij de inspecteur een verzoek indienen voor teruggave van de btw die u afgedragen heeft voor die debiteuren. Hierbij moeten wel bewijsstukken toegevoegd worden waaruit blijkt dat uw factuur niet inbaar is. Doe het verzoek bij de laatste aangifte van het jaar, of direct na het vaststellen van de jaarrekening. De Belastingdienst kan het verzoek om teruggaaf weigeren indien u het te laat indient.
(december 2007)
Directeur-grootaandeelhouder (DGA) let op! U bent wellicht geen btw-ondernemer!
Het Europese Hof van Justitie heeft op 18 oktober 2007 een uitsproken, dat een DGA in ieder geval geen btw-ondernemer is als:
Uit de uitspraak volgt dat ook als hij of zij minder dan 100% van de aandelen bezit er geen sprake van btw-ondernemerschap is. De DGA is wel btw-ondernemer als hij buiten zijn dienstbetrekking activiteiten tegen vergoeding verricht, zoals de verhuur van een onroerende zaak.
De gevolgen van de uitspraak zijn groot:
Naar verwachting zal de staatssecretaris van Financiën een beleidsmaatregel publiceren.
(december 2007)
Giften voor goede doelen; wat is een ANBI?
Schenken aan een goed doel heeft diverse fiscale voordelen, zoals de vrijstelling van schenkings- en successierechten. Vanaf 1 januari 2008 moet een ‘goeddoelinstelling’ echter officieel worden aangemerkt als Algemeen nut beogende instelling (ANBI) en gelden er ook nieuwe regels voor deze instellingen, zodat de instelling kan profiteren van de fiscale voordelen.
Welke instellingen kunnen aangemerkt worden als een ANBI?
Dat zijn kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of algemeen nut beogende instellingen. Om als een ANBI aangewezen te kunnen worden, moeten het doel en de feitelijke werkzaamheden van de instelling een algemeen belang dienen. Verder mag een ANBI geen winstoogmerk hebben. Een instelling mag dus geen particulier of individueel belang dienen. Onder andere sportverenigingen, personeelsverenigingen en commerciële instellingen zijn geen ANBI.
Een voorwaarde is ondermeer dat zij vooraf een beschikking hebben aangevraagd bij de Belastingdienst waarmee ze als ANBI worden aangemerkt. Het is van belang dat een dergelijke ‘goeddoelinstelling’ deze beschikking tijdig krijgt, aangezien de aanwijzing niet met terugwerkende kracht van toepassing is.
Belangrijk voor de ondernemer!
Vanaf 1 januari 2008 kunt u in de aangifte inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting alleen gebruik maken van de giftenaftrek als de instelling een dergelijke beschikking heeft. Als u voor giftenaftrek in aanmerking wilt blijven komen moet de gift dus plaatsvinden aan een aangewezen ANBI.
(december 2007)
Belastingvrij bedrijfsfitness: waar moet u op letten?
‘Een gezonde geest in een gezond lichaam’. Een eeuwenoude maar nog steeds actuele uitspraak. Bewegen is gezond; het verkleint de kans op hart- en vaatziekten en het maakt ons productiever op ons werk. Vandaar dat steeds meer werkgevers bedrijfsfitness aanmoedigen bij hun werknemers. De overheid helpt u een handje door bedrijfsfitness, onder bepaalde voorwaarden, belastingvrij te maken.
Belastingvrij bedrijfsfitness houdt in dat uw werknemers geen loonbelasting en premies over het fitnessen hoeven af te dragen. Sporten is voor hen dus aanzienlijk goedkoper én aantrekkelijker. Uiteraard zijn hier wel een aantal voorwaarden aan verbonden:
(december 2007)
Uitstel van beëindiging inhoudingsplicht directeuren-grootaandeelhouders
Eerder kondigde de overheid aan dat met ingang van 2008 bv’s die één of meerdere DGA’s op de loonlijst hebben staan niet langer inhoudingsplichtig voor de loonbelasting zijn (hun loon zou alleen in de inkomstenbelasting worden verantwoord). Dit wordt nu uitgesteld.
Deze nieuwe regel is gericht op directeuren-grootaandeelhouders die:
- alleen of samen met anderen directeur-grootaandeelhouder zijn van hun bv;
- niet verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen.
Vanuit de praktijk is veel commentaar gekomen op deze verplichte beëindiging op 1 januari 2008 van de inhoudingsplicht. Na overleg tussen het Ministerie van Financiën en de Vaste Commissie voor Financiën van de Tweede Kamer, MKB Nederland, VNO-NCW en koepelorganisaties van belastingconsulenten en accountants, is besloten de bij amendement tot stand gekomen maatregel uit te stellen tot 1 januari 2009.
De inhoudingsplicht voor de loonheffingen blijft in 2008 dus bestaan. Van degenen die het formulier Opgaaf beëindiging inhoudingsplicht naar de Belastingdienst hebben gestuurd wordt dit niet in behandeling genomen. De Belastingdienst zal uitnodigingen voor het doen van aangifte loonheffingen 2008 doen uitgaan.
De vennootschap houdt in 2008 loonheffingen in op het salaris van de directeur-grootaandeelhouder. De DGA’s die in oktober 2007 een brief met een schattingsformulier hebben ontvangen van de Belastingdienst hoeven dat formulier niet in te leveren.
(december 2007)
Vanaf 1 januari is DigiD verplicht
In het afgelopen jaar was het mogelijk om de elektronische handtekening te gebruiken voor het doen van aangifte inkomstenbelasting per diskette en/of het aanvragen van zorg-, huur- of kindertoeslag. Vanaf 1 januari 2008 moet echter overal de DigiD-code worden gebruikt (DigiD staat voor ‘digitale identiteit’). Het is een strikt persoonlijke combinatie van een gebruikersnaam en een wachtwoord. Deze inlogcode kunt u gebruiken om snel informatie uit te wisselen met overheidsinstellingen. De DigiD-code is aan te vragen op www.digid.nl
(december 2007)
Schenken van aandelen in ondernemende vennootschap
De afgelopen jaren is het schenken van ondernemingsvermogen fiscaal veel aantrekkelijker geworden door een geleidelijk verhoogde vrijstelling voor het schenkingsrecht. Momenteel bedraagt deze vrijstelling maar liefst 75% van het geschonken ondernemingsvermogen. Deze vrijstelling geldt ook als het ondernemingsvermogen zich in een bv bevindt. Degene die deze aandelen schenkt moet dan wel minstens 5% van de aandelen in deze bv in bezit hebben. Als de bv verschillende soorten aandelen heeft is het voldoende om 5% van een van de soorten te hebben.
Maar wat als de aandelen van de bv eigendom zijn van een houdstermaatschappij? Kan de aandeelhouder van deze houdstermaatschappij dan met toepassing van de vrijstelling ook aandelen in de houdstermaatschappij schenken als hij (via de houdster) maar minimaal een aandelenbelang van 5% houdt? Zo eenvoudig is het helaas niet: de houdster moet ook nog eens het beleid van de werkmaatschappij bepalen. Maar wanneer is hier sprake van? Onlangs zijn hierover knopen doorgehakt: aan de beleidseis is in deze situatie voldaan als de houdstervennootschap op het moment van schenken minimaal 50% van het totale aandelenkapitaal van de werkmaatschappij bezit of (mede) het bestuur voert over de werkmaatschappij. Helaas is dit laatste criterium niet geheel duidelijk: is het genoeg om (mede) statutair bestuurder te zijn? Dat lijkt wel redelijk, maar moet nog duidelijk worden.
(december 2007)
Personeel inlenen?
De groei van de economie veroorzaakt een groot aantal vacatures. Om deze plaatsen op te vullen nemen veel ondernemers graag hun toevlucht tot uitzendbureaus, in binnen- en buitenland. Dat kan gemakkelijk want sinds 1 mei kunnen mensen uit OEM-landen (voormalige Oostbloklanden) zonder tewerkstellingsvergunning in Nederland aan de slag (met uitzondering van inwoners van Roemenië en Bulgarije die de vergunning nog wel nodig hebben).
Een Nederlandse werkgever kan er voor kiezen om deze personen op de eigen loonlijst te zetten. De buitenlandse werknemers zijn dan zowel belasting- als premieplichtig in Nederland.
Een andere mogelijkheid om als ondernemer (inlener) aan personeel te komen is gebruikmaken van een uitzendbureau (uitlener). Dit kan via een Nederlands uitzendbureau of via een uitzendbureau elders in Europa.
Via een Nederlands uitzendbureau
Indien een Nederlandse onderneming personeel inleent via een in Nederland gevestigd uitzendbureau, dan zijn deze werknemers in Nederland belasting- en premieplichtig, vergelijkbaar met het eigen personeel. Om de zogenaamde inlenersaansprakelijkheid op dit punt zoveel mogelijk te beperken, wordt gebruikgemaakt van geblokkeerde bankrekeningen, de zogenoemde G-rekeningen. De inlener stort een deel van de vergoeding op deze rekeningen. De loonheffing wordt dan vervolgens weer vanaf deze rekeningen betaald. Als zaken bij de uitlener niet goed gaan, of de uitlener gaat failliet, dan kan de inlener aansprakelijk worden gesteld.
Via een buitenlands uitzendbureau
Bij personeel dat via een buitenlands bureau wordt ingeleend, wordt de belasting- en premieplicht anders vastgesteld. Ten eerste wordt bepaald bij wie de werknemer in dienst is en of er sprake is van zogenaamd materieel werkgeverschap (zij geeft aan welke opdrachten de werknemer moet uitvoeren en op welke wijze). Het uitzendbureau vervult vaak een formele rol. Het zorgt ervoor dat de werknemers ondergebracht worden bij opdrachtgevers en dat het loon wordt uitbetaald aan de werknemers. Het uitzendbureau loopt een beperkt risico. Wanneer er op een gegeven moment geen opdrachten meer zijn, zal de uitbetaling van loon zich beperken tot een aantal dagen. Onder andere hierdoor wordt het uitzendbureau als een formele werkgever aangeduid; de ondernemer wordt gezien als een materiële werkgever. Verder is het zo dat de vergoeding wordt betaald door de in Nederland gevestigde werkgever. Omdat de Nederlandse ondernemer materieel werkgever is, zijn de werknemers in Nederland belastingplichtig. Dit alles leidt er toe dat het uitzendbureau nu ook een loonadministratie voor Nederland moet verzorgen. De werknemer moet wel, voordat deze werkzaam is in Nederland, in het land van herkomst een zogenaamde E101-verklaring aanvragen. Hiermee is hij er dan van verzekerd, dat geen dubbele premieplicht optreedt. Deze verklaring is voor één jaar geldig en kan verlengd worden.
(december 2007)
Nieuwe VAR aanvragen
Als u met freelancers werkt, is het goed duidelijkheid te hebben over het soort arbeidsrelatie. De Belastingdienst kan aan de freelancer een Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) verstrekken. Een VAR kan bepalend zijn voor de vraag of u over de vergoeding van de freelancer loonbelasting en sociale premies moet inhouden en afdragen. Alleen als het een VAR-DGA of VAR-winst uit onderneming is, hoeft u met zekerheid geen loonbelasting en premies af te dragen. Hierbij gelden wel de voorwaarden dat de gepresenteerde feiten juist moeten zijn en dat de VAR alleen kan gelden voor de daarin omschreven werkzaamheden. Ook moet u een exemplaar van de VAR in uw administratie bewaren.
Een 'Verklaring Arbeidsrelatie' is geldig tot het einde van het jaar van afgifte. Het is dus raadzaam dat uw freelancer vóór 31 december een nieuwe VAR 2008 aanvraagt bij de Belastingdienst.
Als een opdracht vóór 1 november 2007 aangenomen is en als die doorloopt tot na 1 januari 2008, dan blijft de huidige VAR nog gelden.
(december 2007)
Fiscale bijtelling auto 14%!
Voor schone auto’s geldt met ingang van 2008 een bijtelling van 14% (!)
i.p.v. 25%. De voorwaarden:
- Diesel: niet meer dan 95 gram CO2 uitstoot per kilometer
- Overige auto’s: benzine, elektro, benzine en elektro, lpg en aardgas
niet meer dan 110 gram CO2 uitstoot per kilometer.
Helaas zijn er nog niet veel auto’s die aan de voorwaarden voldoen. De
auto’s die wel voldoen zijn vooral kleine compacte auto’s. In de
meeste gevallen helaas geen auto’s waar zakelijke rijders veelal voor
kiezen. Hieronder de gelukkigen:
- Toyota Prius (middenklasser)
- Honda Civic Hybride (middenklasser)
- Citroën C1 (mini)
- Daihatsu Cuore 1.0 (mini)
- Peugeot 107 (mini)
- Toyota Aygo (mini)
- Smart For Two diesel (mini)
Er kan dus een behoorlijke besparing op de fiscale bijtelling worden behaald
door zowel werknemers als de DGA. Voorwaarde is wel dat men dan kiest voor een
relatief kleine auto. Hetzelfde geldt voor de IB-ondernemer (in dat geval betreft
het onttrekking i.p.v. bijtelling) die zijn zakelijke auto door een nieuwe wil
gaan vervangen.
(november 2007)
Maximaal € 15.000 minder belasting betalen over dividend?
Met ingang van 2008 vervalt het tijdelijke lage inkomstenbelastingtarief van
22%* over dividend uit de eigen bv. Belangrijk detail hierbij is dat dit tarief
geldt tot een grensbedrag van € 250.000. Als een ondernemer met een eigen
B.V. een fiscale partner heeft, dan kan het 22%-tarief in 2007 zelfs worden
toegepast op in totaal € 500.000 aan dividend. Vanaf 2008 is er, ongeacht
het bedrag, 25% inkomstenbelasting in Box 2 verschuldigd.
Voorbeeld
Als een 100%-aandeelhouder met een fiscale partner in 2007 in totaal €
500.000 aan dividend ontvangt van zijn eigen bv, waarvan bij de aangifte inkomstenbelasting
over 2007 de helft wordt toegerekend aan de partner, dan is over dit gehele
bedrag per saldo 22% van € 500.000 = € 110.000 aan inkomstenbelasting
verschuldigd. Als dit bedrag echter pas geheel in 2008 zou worden uitgekeerd,
dan zou hier € 125.000 aan inkomstenbelasting over verschuldigd zijn. Per
saldo betekent uitkeren in 2007 dus € 15.000 belastingvoordeel!
Klinkt dus heel aanlokkelijk om dit jaar nog het belastingvoordeel van 3% mee te pikken. Vóór de keuze om een dividenduitkering naar voren te halen, moeten wel alle factoren volledig worden doorgerekend. Denk hierbij aan: de hoogte van het Vpb-tarief, de forfaitaire heffing in box 3, de financiële ruimte die de bv heeft en de eventuele verliezen in de bv die gebruikt kunnen worden om de rendementen, die op het niet uitgekeerde dividend worden behaald, te compenseren. Hierdoor kan het ogenschijnlijke voordeel in sommige gevallen zelfs omslaan in een nadeel. Indien het niet duidelijk is of er in de toekomst wel een dividenduitkering gaat plaatsvinden, moet helemaal worden opgelet. Onder de huidige regelgeving is het namelijk mogelijk om de heffing over vermogen in de B.V. generaties lang uit te stellen. Na een correcte rekenexercitie is het mogelijk om een keuze te maken, al blijft het psychologische aspect van het nu al afstorten van een fors bedrag bij de fiscus meewegen bij de ondernemer.
*Het verlaagde tarief van 22% inkomstenbelasting moet u niet verwarren met
het verlaagde tarief van 15% voor de dividendbelasting. Dit is namelijk het
tarief dat verschuldigd is bij de uitbetaling van het dividend. Het hogere tarief
voor de inkomstenbelasting van 22% geldt bij de aangifte inkomstenbelasting.
De eerder betaalde 15% dividendbelasting wordt daarbij verrekend, zodat het
dividend uiteindelijk in totaal met 22% inkomstenbelasting is belast.
(november 2007)
Hoeveel schenken aan (klein)kind en goed doel?
Nog belastingvrije schenkingen doen aan uw kinderen of een goed doel? Hierbij
de huidige bedragen van de vrijstellingen. U kunt uw kind € 4.412 per kalenderjaar
vrijgesteld schenken ongeacht de leeftijd en burgerlijke staat van uw kind.
Aan ieder kleinkind kunt u jaarlijks vrijgesteld € 2.648 schenken. Aan
uw kinderen tussen 18 en 35 jaar kunt u éénmalig € 22.048
belastingvrij schenken. U doet dan bij uw aangifte een beroep op de verhoogde
vrijstelling (deze verhoogde vrijstelling geldt ook als het eigen kind 35 jaar
of ouder is, maar diens echtgenoot wel tussen de 18 en 35 jaar is). Let op:
schenkingen die in de loop van een kalenderjaar worden gedaan aan dezelfde persoon,
worden bij elkaar opgeteld.
Instellingen van algemeen nut, zoals kerkelijke en charitatieve, kunt u met
alle bedragen vrij van schenkingsrecht ondersteunen. Er geldt hierbij geen maximumbedrag,
mits wordt voldaan aan de voorwaarde dat de verkrijging ten nutte van het algemeen
belang komt. Iedere andere partij dan hierboven vermeld, kunt u jaarlijks tot
€ 2.648 geven zonder schenkingsrecht te betalen. Indien u meer schenkt
dan het drempelbedrag van € 2.648, dan vervalt de vrijstelling en moet
er schenkingsrecht betaald worden over het hele geschonken bedrag.
(november 2007)
Stel bedrijfsverplaatsing uit tot 2008!
Met ingang van 2008 wordt de regeling voor fiscaal geruisloze doorschuiving
bij bedrijfsverplaatsing uitgebreid. We spreken van fiscaal geruisloze doorschuiving
als een ondernemer zijn bedrijf verplaatst zonder dat dit tot heffing van inkomstenbelasting
leidt. De uitbreiding is zodanig dat deze regeling niet meer alleen van toepassing
is bij overheidsingrijpen (bijvoorbeeld bij onteigening of reorganisatie van
een bedrijfstak). De regeling geldt bij alle situaties waarin de ondernemer
besluit met zijn oude onderneming te stoppen en (al dan niet elders) een nieuwe
onderneming te beginnen. Heel veel vervelende discussies met de fiscus zullen
met ingang van volgend jaar daarom tot het verleden behoren. Stel uw geplande
bedrijfsverplaatsingen, indien mogelijk, uit tot 2008.
(november 2007)
Meewerkaftrek vervalt in 2008
De eerdergenoemde verruiming van de mogelijkheid tot fiscaal geruisloze bedrijfsverplaatsing kost het kabinet geld. Men bekostigt dit door de meewerkaftrek volgend jaar te laten vervallen. De huidige meewerkaftrekregeling houdt in dat als een partner zonder vergoeding meewerkt er, afhankelijk van het aantal uren, een winstafhankelijke aftrekpost is. Omdat de meewerkaftrek vervalt is het in veel gevallen verstandig om de meewerkende partner* in 2008 toch een arbeidsbeloning te laten ontvangen.
*Partners die zonder arbeidsbeloning meewerken in de onderneming van hun partner
en die nu nog
gebruik maken van de meewerkaftrek.
(november 2007)
Kerstpakketten en geschenken
Voor geschenken in natura of cadeaubonnen aan uw werknemers geldt dat voor
zover de waarde niet meer bedraagt dan € 70 (incl. BTW), u deze aan uw
werknemers mag geven onder de voorwaarde dat u hierover 20% eindheffing toepast.
Op deze wijze zorgt u ervoor dat op het loon van de werknemer vervolgens niets
meer hoeft te worden ingehouden. Het is niet meer van belang of dit ter gelegenheid
van algemeen erkende feestdagen of Sinterklaas wordt gegeven. Ook is niet langer
vereist dat van deze regeling maar eenmaal per jaar gebruik wordt gemaakt. Het
bedrag van € 70 is een totaalbedrag op jaarbasis.
Waarde meer dan € 70? Dan kunt u voor dit meerdere gebruik maken van de
regeling voor kleine verstrekkingen. Deze kleine verstrekkingenregeling houdt
in dat voor geschenken met een waarde van maximaal € 136 de eindheffing
mag worden toegepast onder gebruikmaking van het gebruteerde tabeltarief. Een
tweede voorwaarde is dat het gezamenlijke bedrag aan schenkingen in een jaar
niet meer mag bedragen dan € 272. Meer informatie? Wij informeren u graag.Mocht
ook de kleine verstrekkingenregeling geen uitkomst bieden, dan dient een en
ander op de gebruikelijke wijze in de loonadministratie verwerkt te worden als
loon in natura.
Voor anderen
Officieel moet de relatie, aan wie u het geschenk geeft, hierover de verplichte
belasting betalen. Uiteraard is dit niet de bedoeling. U lost dit op door zelf
deze belasting voor uw rekening te nemen. Ook dit loopt via een eindheffing.
De voorwaarden:
- De regeling geldt alleen voor geschenken die u tegelijkertijd en voor dezelfde
gelegenheid ook aan uw werknemers geeft.
- Voor een geschenk met een waarde in het economisch verkeer van maximaal €
136 moet u een eindheffing van 45% toepassen.
- Voor een geschenk met een waarde in het economisch verkeer tussen de €
136 en € 272 past u een tarief toe van 75% over de gehele waarde.
- U moet aan de ontvanger melden dat u de eindheffing heeft toegepast en dus
de belasting heeft betaald. Daarnaast legt u vast wie de ontvanger van het geschenk
is geweest.
(november 2007)
BTW-aspecten van een cadeau
Indien een ondernemer een kerstcadeau of iets van dien aard aan zijn medewerkers
en/of relaties (die zelf geen recht op aftrek van btw hebben) wil verstrekken
is het verstandig te beoordelen of de drempel van € 227 per medewerker
of relatie per jaar daarbij wordt overschreden. Indien die drempel niet wordt
overschreden, blijft de btw op de inkoop van het cadeau aftrekbaar. Voor het
bepalen van de hoogte van de kosten van het kerstcadeau kan daarmee rekening
worden gehouden. Bij overschrijding van deze drempel is de btw over het hele
bedrag niet aftrekbaar!
(november 2007)
De DGA en de pensioenwet
Op 1 januari 2007 is de Pensioen- en spaarfondsenwet vervangen door de nieuwe
Pensioenwet. De directeur-grootaandeelhouder (DGA) valt buiten deze wet met
uitzondering van de DGA die verplicht deelneemt in een bedrijfstakpensioenfonds.
Fiscaal wijzigt er niets voor de pensioenopbouw, de Wet op de Loonbelasting
blijft ongewijzigd. DGA’s met een op 01-01-2007 bestaande pensioentoezegging
vallen onder het overgangsrecht. Zij moeten in 2007 beslissen of een verzekerd
gedeelte van de regeling onder de Pensioenwet moet vallen. Een in eigen beheer
opgebouwd pensioen kan nooit onder de Pensioenwet vallen. Het is verstandig
om met ons te overleggen voordat u een keuze maakt. De keuze is namelijk onherroepbaar.
(november 2007)
De DGA en een nieuwe pensioentoezegging
Indien een directeur-grootaandeelhouder nog dit jaar een pensioenvoorziening
op de balans wil opnemen, zal hij zichzelf dit jaar nog pensioen moeten toezeggen.
Dit betekent dat de notulen AvA (Algemene Vergadering van Aandeelhouders) en
de pensioenbrief nog in 2007 moeten worden opgemaakt en ondertekend.
(november 2007)
Aankomende wetgeving: het wetsvoorstel Personenvennootschappen
Het wetsvoorstel Personenvennootschappen is in behandeling. Waarschijnlijk
wordt de wet op 1 januari 2008 ingevoerd. In het wetsvoorstel is geregeld dat
de personenvennootschappen in hun huidige vorm vervallen. Personenvennootschappen
zijn een vof, CV en een maatschap.
Voor eenmanszaken en BV´s heeft deze wet geen consequenties; voor de huidige
vof’s, CV´s en openbare maatschappen (maatschappen die onder een
gemeenschappelijke naam actief zijn) wel. Die zullen waarschijnlijk als openbare
vennootschappen aangemerkt worden.
De nieuwe indeling van soorten personenvennootschappen bestaat uit:
a. De niet-openbare vennootschap (dit zijn samenwerkingsverbanden, die niet
onder een gemeenschappelijke naam naar buiten treden).
Deze is te vergelijken met de huidige stille maatschap. Wel komt er een afgescheiden
vermogen.
b. De openbare vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid (OV).
Deze is te vergelijken met de huidige vof en de CV. Daarnaast zal ook de openbare
maatschap (de maatschap die wel onder een gemeenschappelijke naam naar buiten
treedt) straks een openbare vennootschap zijn. Nieuw is dat de vennootschap
blijft bestaan bij het toe- en uittreden van vennoten, tenzij het tegendeel
in de overeenkomst is opgenomen.
c. De openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid (OVR)
De belangrijkste wijziging in de nieuwe wetgeving is dat de openbare vennootschap
ook rechtspersoonlijkheid kan krijgen. De vennoten blijven echter wel hoofdelijk
aansprakelijk. Voordeel is dat de vennootschap dan zelf eigenaar kan worden
van goederen (zoals bedrijfswagens of een bedrijfspand) en zelf een contract
kan afsluiten. Om rechtspersoonlijkheid te krijgen moet de vennootschapsakte
in een notariële akte worden opgenomen, inclusief de goederen die tot de
vennootschappelijke gemeenschap behoren.
In de nieuwe regeling worden alle vennoten (uitgezonderd de commanditaire vennoot)
van een openbare vennootschap hoofdelijk aansprakelijk. Dit geldt ook voor de
OVR.
(september 2007)
Van openbare vennootschap naar besloten vennootschap?
Door de nieuwe wet personenvennootschappen zullen dienstverleners en beroepsbeoefenaren
die nu nog in een openbare maatschap werken (zoals advocaten, notarissen, accountants,
tandartsen en apothekers) gaan samenwerken in een openbare vennootschap met
een hoofdelijke aansprakelijkheid. Dit is een behoorlijke verzwaring van de
aansprakelijkheid. Dit kan een reden zijn om de openbare vennootschap om te
zetten in een besloten vennootschap. In de nieuwe regeling is het makkelijker
om een openbare vennootschap om te zetten in een BV. Een belangrijke reden om
dit te doen is de beperkte aansprakelijkheid voor bestuurders en aandeelhouders
in een BV. Het heeft echter wel fiscale gevolgen. Het is raadzaam tijdig te
overleggen wat voor u het beste is.
(september 2007).
Kosteloos advies voor ICT
Het gebruik van ICT en internet voor contact met de klant en leveranciers is
in de meeste bedrijven gebruikelijk. Te denken valt aan track & tracingprogramma’s,
digitalisering van het inkoop- en verkoopproces en e-marketing. Door elektronisch
gegevens uit te wisselen bespaart men kosten en tijd. Om ondernemers te ondersteunen
om optimaal gebruik te maken van de mogelijkheden is er het programma ‘Nederland
Digitaal in verbinding’ opgezet. Een adviseur brengt samen met de ondernemer
in kaart wat voor hem mogelijk en raadzaam is. Dankzij bijdragen van het Ministerie
van Economische Zaken is deelname aan dit project gratis. Zie voor meer informatie
www.syntens.nl bij Projecten, Nederland.
(september 2007).
Familiebedrijven hebben grote waarde voor economie
Familiebedrijven leveren een belangrijke bijdrage aan de Nederlandse economie.
In Nederland zijn 180.000 familiebedrijven verantwoordelijk voor 40% van de
werkgelegenheid en 50% van het Bruto Nationaal Product. Dit heeft te maken met
de belangrijkste kracht van het familiebedrijf: continuïteit, door de lange
termijnvisie en sterke band met het personeel. We spreken over familiebedrijven
als een bedrijf aan twee van de drie navolgende criteria voldoet: meer dan 50%
van de eigendom is in handen van één familie, één
familie heeft beslissende invloed op de bedrijfsstrategie of op opvolgingsbeslissingen
en ten minste twee leden van de ondernemingsleiding zijn afkomstig uit één
familie. Het familiebedrijf kent een eigen organisatie- en eigendomsstructuur
en een problematiek, die niet gelijk is aan het MKB of het grootbedrijf. De
overheid wil een betere focus op familiebedrijven bewerkstelligen om het concurrentievermogen
van de Nederlandse economie positief te beïnvloeden.
Op initiatief van de Kamer van Koophandel is de Expertgroep Familiebedrijven
opgericht. Die heeft in een notitie aan de overheid 18 aanbevelingen gedaan.
Men wil stimulerende maatregelen treffen en barrières wegnemen. Drie
van de belangrijke aanbevelingen zijn:
- Fiscaal: Afrekenen met de fiscus bij kapitaalonttrekking i.p.v. bij kapitaaloverdracht.
- Familiebedrijven hebben te kampen met een negatief imago. Meer kennis over
het familiebedrijf zal zorgen voor meer waardering. De Expertgroep geeft aanbevelingen
om kennis te verzamelen en over te dragen.
- Er ontstaat een trend waarbij Corporate Governance (ondernemingsbestuur) steeds
meer wordt opgelegd bij ondernemingen. In familiebedrijven is de verhouding
onderneming, eigendom en familie echter onlosmakelijk met elkaar verbonden in
tegenstelling tot niet-familiebedrijven. Een uniforme regeling zou de flexibiliteit
belemmeren. Er mag geen overregulering gaan ontstaan met betrekking tot de bestuursinrichting
van het familiebedrijf.
(september 2007).
Last van verontreinigd bedrijfsterrein?
De nieuwe Wet bodembescherming is op 1 januari 2006 in werking getreden. U
als eigenaar of erfpachter bent verantwoordelijk voor de sanering van uw bedrijfsterrein
indien de bodem verontreinigd is. De overheid subsidieert echter en heeft de
mogelijkheden hiertoe verruimd. Onder bepaalde voorwaarden kan de eigenaar of
erfpachter als MKB-bedrijf subsidie krijgen tot 70% van de saneringskosten.
De subsidie moet vóór 1 januari 2008 bij het bevoegd gezag (provincie
of gemeente) of bij het Bodemcentrum (www.bodemcentrum.nl) worden aangevraagd.
Dit Bodemcentrum is een initiatief van VNO-NCW, MKB-Nederland, Rabobank Nederland
en verschillende brancheorganisaties.
In principe is de subsidie overdraagbaar op een nieuwe eigenaar of erfpachter.
Als de aanvraag tijdig is ingediend, kan tot 2030 gebruik worden gemaakt van
de subsidiemogelijkheid.
(september 2007).
Wijziging aanslag DGA m.i.v. 2008
In 2006 heeft toenmalig minister Zalm aangekondigd dat directeuren-grootaandeelhouders
(DGA’s) met ingang van 2008 niet meer onder de loonbelasting en premies
volksverzekering zullen vallen. Dit alles met als doel de administratieve lasten
voor ondernemers te verlichten.
Een belangrijke voorwaarde is dat de houdstermaatschappij waaruit de DGA’s
hun salaris ontvangen geen andere werknemers in dienst mag hebben.
Op basis van een schatting van het looninkomen uit de ‘eigen’ BV
wordt door middel van voorlopige aanslagen inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen
betaald. Deze situatie is gelijk aan die van een ondernemer met een eenmanszaak.
De Belastingdienst stuurt de komende periode eerst een brief naar alle DGA’s
waarin zij kunnen aangeven of voor hen inderdaad de inhoudingsplicht gaat vervallen.
Vervolgens krijgen DGA’s in september of oktober 2007 een brief van de
fiscus waarin zij kunnen aangeven voor welk bedrag zij een voorlopige aanslag
willen ontvangen.
Het vervallen van de inhoudingsplicht kan samenvallen met een al bestaande tegemoetkoming
voor DGA’s die hun salaris ontvangen uit een houdstermaatschappij voor
werkzaamheden voor de werkmaatschappij van die houdstermaatschappij.
Indien de DGA voor zijn werkzaamheden bij de werkmaatschappij aangemerkt wordt
als een werknemer voor de werknemersverzekeringen, moet de werkmaatschappij
normaliter de loonheffing en de werknemersverzekeringspremies afdragen over
het loon van de DGA. Vaak is geregeld dat de DGA een arbeidsovereenkomst heeft
met de houdstermaatschappij, welke maatschappij vervolgens weer een managementovereenkomst
heeft met de werkmaatschappij. Het loon dat de DGA verdient bij de werkmaatschappij
wordt aldus ‘doorbetaald’ (vandaar de term ‘doorbetaaldloonregeling’)
door de houdstermaatschappij aan de DGA.
Op dit moment is het vaak zo geregeld dat een DGA met een minderheidsbelang
in de werk-BV in zijn eigen houdstermaatschappij de loonbelasting/premie volksverzekeringen
betaalt en dat de werk-BV zorgt voor de afdracht premie werknemersverzekeringen.
Vanaf 2006 is dit eigenlijk wettelijk niet meer mogelijk en zou ook de loonbelasting/premie
volksverzekeringen door de werk-BV afgedragen behoren te worden. Begin dit jaar
is echter een besluit genomen welke de huidige situatie toch goedkeurt tot eind
2007.
Vanaf 1 januari 2008 ontstaat een geheel nieuwe situatie omdat vanaf dat moment
de eigen houdstermaatschappij niet meer inhoudingsplichtig is en dus ook geen
loonbelasting/premie volksverzekeringen kan inhouden en afdragen. Dientengevolge
moet dit wel door de werk-BV ingehouden en afgedragen gaan worden. Dit kan echter
leiden tot aanpassingen in managementovereenkomsten, arbeidsovereenkomsten en/of
pensioenovereenkomsten. De staatssecretaris acht het echter niet wenselijk dat
dit alles gewijzigd zou moeten worden en bereidt daarom een wetswijziging voor
om deze structuren ook na 1 januari 2008 mogelijk te maken.
(september 2007).
Bijzondere situatie bij bijtelling auto
Een uitspraak van de rechter gaf meer duidelijkheid over de autokostenbijtelling
in een bijzondere situatie. Het ging hier om een situatie waarbij een werknemer
in eerste instantie over een verklaring ‘geen privégebruik’
beschikt (en dus minder dan 500 kilometer per jaar privé reed) en deze
vervolgens weer introk. Het blijkt dat voor de bijtelling van belang is of een
auto gedurende het gehele of een gedeelte van het kalenderjaar aan de werknemer
ter beschikking is gesteld. In dit geval vond gedurende de eerste twee maanden
geen bijtelling plaats en de werknemer kon een kilometeradministratie overleggen
waaruit bleek dat hij geen kilometer privé had gereden.
De werknemer verzocht de Belastingdienst om de verklaring vanaf begin maart
in te trekken. Functiewisseling met onregelmatiger gebruik van de auto (daarom
lastiger bij te houden ) en verkoop van privéauto was de reden om meer
dan 500 kilometer privé te rijden.
De verklaring ‘geen privégebruik’ werd ingetrokken, maar
de werknemer kreeg tevens een naheffingsaanslag over de maanden januari en februari.
Hiertegen is de werknemer in beroep gegaan, omdat hij vond dat hij in deze maanden
geen voordeel van de auto had.
Maar de rechtbank oordeelde dat het eventuele voordeel dat de werknemer geniet
beoordeeld moet worden aan de hand van de vraag of de auto gedurende het gehele
kalenderjaar aan de werknemer ter beschikking is gesteld. Het is niet van belang
of de auto daadwerkelijk gedurende het gehele kalenderjaar is gebruikt.
Conclusie: als u weet dat later in het jaar de situatie verandert hoeft u geen
administratie bij te houden. Let wel: het is dus ook niet mogelijk om bijvoorbeeld
gedurende de vakantietijd de verklaring in te trekken om dan meer kilometers
privé te rijden.
(september 2007).
Waardering onderhanden werk gewijzigd
Tot 2007 was het (op basis van jurisprudentie) toegestaan om de fiscale winstneming
uit te stellen totdat een werk was opgeleverd of een opdracht afgerond. Ingaande
dit jaar geldt dat onderhanden werk in opdracht van een derde als volgt dient
te worden gewaardeerd: het constante gedeelte van de algemene kosten dat toerekenbaar
is aan het onderhanden werk, dient ook geactiveerd te worden. Onderhanden werk
dient met voortschrijdende winst genomen te worden. Uitstel van winstneming
tot oplevering van het werk of afronding van de opdracht is dus niet meer toegestaan.
Per einde jaar dient voortaan het onderhanden werk te worden gewaardeerd op
het gedeelte van de overeengekomen vergoeding voor het gehele werk of de volledige
opdracht, dat aan het onderhanden gedeelte kan worden toegerekend. Bij bijvoorbeeld
50% voortgang van een project moet dus 50% winst worden genomen. Het blijft
wel mogelijk om een voorziening te treffen voor eventueel te lijden verlies
op een onderhanden werk. Nieuwe waardering zal normaliter voor het eerst plaatsvinden
op 31 december 2007.
(september 2007).
Veel bedrijfsoverdrachten op komst
De babyboomgeneratie gaat met pensioen. De komende jaren zullen er meer dan
100.000 bedrijfsoverdrachten plaatsvinden.
Het is belangrijk om voldoende tijd te nemen voor een overdracht. Vijf tot tien
jaar is een goede periode om niet alleen de praktische zaken te regelen maar
ook zeker om het psychologische en emotionele proces voldoende tijd te gunnen.
Gedegen financieel en juridisch advies is van groot belang. Bij onderhandelingen
is er maar één devies: emoties overboord, vooral zakelijk blijven.
Er zijn verschillende mogelijkheden om de overdracht te vergemakkelijken. Het
pand uit de transactie halen is hier een voorbeeld van. Voor de koper wordt
het hierdoor makkelijker om de overdracht financieel rond te krijgen. Hij kan
het pand bijvoorbeeld eerst een periode huren. De huuropbrengst kan de verkoper
helpen bij de overbrugging naar het pensioen.
Een aantal tips: beoordeel tijdig de waarde van uw bedrijf om eventueel pensioenmaatregelen
te kunnen nemen; zorg dat bedrijfsmiddelen modern zijn (de koper zit niet direct
op hoge investeringen te wachten); vorm een middenkader (u bent dan niet onmisbaar
en de koper staat er niet alleen voor); bereid medewerkers voor en zorg dat
afspraken met hen schriftelijk vastgelegd zijn.
Nogmaals, goede begeleiding is essentieel bij een bedrijfsoverdracht. Meer weten?
Neemt u gerust contact met ons op.
(juni 2007).
Let op: vóór 1 juli buitenlandse btw terugvragen
Als u in 2006 in een ander EU-land buitenlandse btw betaald heeft (voor goederen,
diensten, maar ook bijvoorbeeld autobrandstof) kunt u, als u in dat land niet
belastingplichtig bent, de btw in het betreffende land terugvorderen. Dit verzoek
om teruggave moet dan wel vóór 1 juli 2007 ingediend worden. De
originele facturen moeten meegestuurd worden (bewaar dus kopieën voor uw
administratie). Tevens moet u een verklaring overleggen van de Nederlandse Belastingdienst
waaruit blijkt dat u in Nederland omzetbelasting moet betalen. Er gelden wel
drempelbedragen voor de teruggaaf. In de meeste EU-landen is dat voor een tijdvak
van drie maanden € 200 en voor een tijdvak van een jaar € 25. Hiermee
wordt gestimuleerd om de btw in een keer terug te vorderen. Let op: elk land
kent zijn eigen beperkingen ten aanzien van kosten met een privékarakter.
(juni 2007).
Personeelsverstrekkingen en btw
De invoering van de fictieve heffing voor privégebruik, heeft geen invloed
op de bestaande regels voor personeelsverstrekkingen.
Sinds 1 januari 2007 is er een regeling in de wet opgenomen om privégebruik
te belasten. Deze regeling houdt in dat de ondernemer btw verschuldigd is als
een ondernemer/eenmanszaak:
- goederen levert vanuit zijn onderneming aan zichzelf in privé;
- goederen levert vanuit zijn onderneming aan zijn personeel voor het privégebruik
van het personeel;
- bedrijfsgoederen gebruikt voor privédoeleinden van hemzelf;
- bedrijfsgoederen gebruikt voor zijn personeel;
- diensten verricht voor eigen privédoeleinden;
- diensten verricht voor zijn personeel.
Voorheen bestond al het zogenaamde BUA (Besluit Uitsluiting Aftrek) voor personeelsverstrekkingen.
Het BUA houdt in dat gedurende het jaar alle btw in aftrek mag worden gebracht
en aan het einde van het jaar een correctie moet worden gemaakt voor het privé
gebruik. Deze BUA-regeling blijft van toepassing op personeelsverstrekkingen.
Ook de al bestaande regeling voor de correctie van het privégebruik van
de auto van de zaak van de ondernemer/eenmanszaak blijft van toepassing.
De nieuwe bepalingen dienen niet als vangnet voor situaties van personeelsverstrekkingen,
waarvoor het BUA niet corrigeert, zoals:
- indien de jaargrens van € 227 per personeelslid niet wordt overschreden;
- besloten busvervoer;
- fiets voor woon-werkverkeer (onder bijbehorende voorwaarden);
- outplacement;
- indien het privégebruik niet plaats vindt in het jaar van aanschaf,
maar in het jaar daarop.
Voor die personeelsverstrekkingen is geen BUA-correctie en evenmin een fictieve
heffing aan de orde.
De nieuwe wettelijke bepalingen lijken voor zover ze betrekking hebben op personeelsverstrekkingen
alvast opgenomen te zijn voor het geval de Europese rechter het BUA onverbindend
verklaart.
(juni 2007).
Wijzigingen in de loonbelasting met ingang van 1 januari 2007:
Fietsregeling
De werkgever kan eens per drie jaar de aanschafkosten van een fiets van een
werknemer onbelast vergoeden indien de waarde van de fiets meer bedraagt dan
€ 68 en maximaal € 749 is. Voorwaarde hierbij is dat de werknemer
op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij woon-werkverkeer heeft, gebruik
maakt van de fiets. De oude regel dat dan € 68 belast was, is vervallen.
De werkgever kan de werknemer per kalenderjaar voor maximaal € 82 onbelast
vergoeden voor met de fiets samenhangende zaken.
Telefoon en internet
Indien de werknemer telefoon, internet en vergelijkbare communicatiemiddelen
voor meer dan 10% gebruikt ten behoeve van de behoorlijke vervulling van de
dienstbetrekking, zijn de verstrekkingen en vergoedingen vrijgesteld van loonbelasting.
Te denken valt aan aanschafkosten, aanleg- of aansluitkosten, abonnementskosten
en gesprekskosten.
Maaltijdregeling
Vergoedingen en verstrekkingen van maaltijden waarvan het zakelijke karakter
van meer dan bijkomstig belang is, zijn altijd volledig vrij van loonbelasting.
Van een meer dan bijkomstig zakelijke maaltijd is sprake als een werknemer door
zijn werk 's avonds niet op een normale tijd (tussen 17.00 en 20.00 uur) thuis
kan eten. Bijvoorbeeld bij een dienstreis, een zakenbespreking buiten de deur,
voor winkelpersoneel op koopavonden of ander overwerk. Deze nieuwe regeling
geldt ook voor werknemers die op wisselende locaties werken (een vertegenwoordiger,
een bouwvakker et cetera).
Maaltijden met een bijkomstig zakelijk karakter, zoals lunches op de vaste werkplek,
worden belast naar de waarde in het economisch verkeer. De zogenaamde 80-maaltijdenregeling
is afgeschaft (dit hield in dat een vergoeding of verstrekking van maximaal
80 maaltijden per kalenderjaar met een meer dan bijkomstig zakelijk belang volledig
onbelast was en dat vanaf de 81e maaltijd een normbedrag bij het loon moest
worden geteld).
Vaste reiskostenvergoedingen
Als een werknemer hoofdzakelijk naar een vaste plaats van werkzaamheden reist,
kan voortaan een vaste vrije vergoeding worden verstrekt alsof de werknemer
altijd naar deze plaats reist. Ter voorkoming van discussies is vastgesteld
dat de vaste vergoeding betaald mag worden voor 214 dagen per kalenderjaar (op
fulltime basis), ook als de werknemer minder dagen reist, mits hij meer dan
150 dagen reist. Bij parttimecontracten wordt het aantal dagen naar evenredigheid
verminderd.
Vergoeding onregelmatige diensten
De vrije vergoeding van kosten die de werknemer thuis maakt ter zake van onregelmatige
diensten of continudiensten, kunnen niet langer vrij vergoed worden. Het betreft
de extra kosten van voeding, verlichting en verwarming in de woning van de werknemer.
Geschenkenregeling
Over één of meerdere geschenken in natura tot € 70 per kalenderjaar
kan de werkgever een eindheffing laten plaatsvinden tegen een tarief van 20%.
Voorheen was dit € 35, maar het tarief was 15% (dat is nu wat ongunstiger).
De werkgever kan er ook voor kiezen om de geschenken tot het loon te rekenen
en daarover de loonheffingen toe te passen.
Ook na 1 januari 2007 kan de werkgever nog de eindheffingsregeling blijven toepassen
voor geschenken in natura met een waarde in het economische verkeer van maximaal
€ 272 per jaar en maximaal € 136 per verstrekking.
Bijtelling openbaarvervoerkaarten
De bijtelling voor de werknemer van openbaar vervoerkaarten die mede voor het
werk of woon-werkverkeer worden gebruikt is met ingang van 1 januari 2007 afgeschaft.
Naast dit voordeel voor de werknemer vervalt ook de eis dat de plaatsbewijzen
per werknemer moeten worden bewaard.
(juni 2007).
Werkgevers krijgen boete tot € 6700 bij ontduiking minimumloon
Werkgevers die werknemers minder uitbetalen dan het wettelijke minimumloon,
krijgen daarvoor direct een boete van de Arbeidsinspectie. De hoogte van de
boete hangt af van de mate van ontduiking en bedraagt maximaal € 6700 per
werknemer. Ook kan de arbeidsinspectie deze werkgevers een dwangsom opleggen
om ze te verplichten alsnog het minimumloon uit te betalen. De Eerste Kamer
heeft ingestemd met het voorstel van minister Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
om de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag in deze zin te wijzigen.
(juni 2007).
Alle uren die u besteedt aan zakelijke belangen tellen mee voor het
urencriterium
Eerder berichtten wij u over het bijhouden van het urencriterium, waarbij geldt
dat u jaarlijks minimaal 1225 uur voor uw onderneming actief moet zijn. Het
goed bijhouden is onder andere van belang voor uw MKB-winstvrijstelling. Als
ondernemer hoeft u over 10% van de belastbare winst geen belasting te betalen.
Een uitspraak van de Hoge Raad heeft een ondernemer in het gelijk gesteld ten
opzichte van de Belastingdienst. Het bouwen van een website voor zijn bedrijf
gold ook als arbeidsuren voor de onderneming. De Hoge Raad is duidelijk: alle
uren die besteed worden aan de zakelijke belangen van het bedrijf tellen mee.
Ook de uren die u, buiten de openingstijden van uw bedrijf, besteedt aan uw
administratie, studie voor uw bedrijf, het lezen van vakliteratuur of overleg
met uw bank tellen mee. Voorwaarde is dat u aannemelijk moet maken dat de arbeidsuren
voor zakelijk belang golden.
(juni 2007).
Meer geld voor innoverende bedrijven door WBSO
Indien u als bedrijf onderzoek wilt doen naar een innovatie (technologische
vernieuwing) komt u waarschijnlijk in aanmerking voor de Wet Bevordering Speur-
en Ontwikkelingswerk (WBSO). Onder speur- en ontwikkelingswerk wordt verstaan:
- ontwikkeling van technisch nieuwe fysieke producten, fysieke productieprocessen,
programmatuur of onderdelen hiervan;
- technisch wetenschappelijk onderzoek waarmee een verklaring wordt gezocht
voor een verschijnsel op gebieden zoals fysica, chemie, biotechnologie, productietechnologie
en informatie- en communicatietechnologie;
- de analyse van de technische haalbaarheid van een eigen S&O-project dat
u mogelijk wilt gaan opstarten;
- technisch onderzoek dat zich richt op de verbetering van uw fysieke productieproces
of de door u gebruikte programmatuur.
De WBSO-regeling is een korting op de loonbelasting over de uren die door u
besteed worden aan de ontwikkeling van een nieuw product of proces. De korting
bedraagt 42% van de bruto loonkosten van eigen werknemers. Dit percentage geldt
voor een bruto loonsom tot €110.000 per jaar. Over het bedrag daarboven
is dit 14%. ‘Technostarters’ (mensen die op basis van een technische
vinding een onderneming starten en zo hun technische vinding willen commercialiseren)
krijgen zelfs 60% korting over de eerste belastingschijf.
Uit een evaluatie blijkt dat deze WBSO-regeling goed werkt en bedrijven stimuleert
tot extra inspanningen op innovatief gebied. Dit jaar is er een budget van 425
miljoen euro beschikbaar voor het stimuleren dit speur- en ontwikkelingswerk.
Ruim tienduizend bedrijven doen er jaarlijks een beroep op. De minister van
Economische Zaken vindt het positief dat met name het midden- en kleinbedrijf
zijn voordeel doet met de belastingaftrek. De regeling wordt uitgevoerd door
SenterNovum, een agentschap van het ministerie van Economische Zaken. Uiteraard
kunt u ook bij ons terecht voor meer informatie en hulp bij een aanvraag.
(juni 2007).
Vestigingswet verleden tijd
De Vestigingswet Bedrijven 1954 wordt ingetrokken. Hierdoor ontstaat meer ruimte
voor ondernemerschap, concurrentie en werkgelegenheid. De wet was bedoeld om
de kwaliteit van ondernemers te waarborgen en stamt uit de dertiger jaren! In
de loop der tijd heeft de wet vele aanpassingen gekend omdat veel regels overbodig
werden. De laatste jaren kwamen steeds meer eisen en sectoren te vervallen zoals
de eis van kredietwaardigheid en de eisen aan Algemene Ondernemersvaardigheden.
De huidige Vestigingswet bevat, voor een beperkt aantal sectoren, nog slechts
eisen die betrekking hebben op de kennis over wet- en regelgeving op het gebied
van veiligheid, gezondheid en milieu. Men streeft ernaar de Vestigingswet op
1 juli 2007 in te trekken.
(juni 2007).
Business-to-Business Beurs Noordwest Veluwe
Deze beurs werd gehouden op 27 en 28 maart in Harderwijk. Van
Welie Accountants was ook aanwezig met een stand.
Bekijk hier de foto´s.
Onterecht privégebruik auto van de zaak
Bij gebruik van een auto van de zaak door een werknemer moet u als werkgever
22% van de cataloguswaarde van de auto optellen bij het loon van de werknemer
en hier belasting over inhouden en afdragen. Wanneer een werknemer een verklaring
‘geen privégebruik auto van de zaak’ bij de Belastingdienst
heeft ingediend hoeft dit niet. Deze verklaring kan worden ingediend indien
er minder dan 500 kilometer per jaar gebruik wordt gemaakt van de auto voor
privédoeleinden.
Uit steekproeven is gebleken dat er vaak geen belasting is betaald voor het
gebruik van auto’s van de zaak voor privégebruik. Men overschrijdt,
ondanks de schriftelijke verklaring, dus de kilometergrens. De Belastingdienst
houdt daarom vanaf medio februari door het hele land mobiele controleacties
op onterecht privégebruik van auto’s van de zaak. Men controleert
het gehele jaar door bij drukbezochte locaties zoals festivals, bouwmarkten,
woonboulevards en grensovergangen in de vakantieperiodes.
Hiervoor wordt gebruik gemaakt van ‘slimme’ camera-auto’s
die zijn uitgerust met een computersysteem dat automatisch nummerplaten scant
en herkent. Het kan, al rijdende, 8 kentekens per seconde registreren. De gegevens
worden vergeleken met de verklaringen van ‘geen privégebruik auto
van de zaak’ die bij de Belastingdienst opgegeven zijn. Degene die, ondanks
zo’n gegeven verklaring, toch voor privédoeleinden gebruik maakt
van een auto van de zaak ontvangt een schriftelijke uitnodiging om inzicht te
geven in de rittenregistratie waarmee aangetoond kan worden dat er per jaar
minder dan 500 privékilometers met de auto van de zaak worden gereden.
Als dit niet kan worden aangetoond wordt een naheffing opgelegd (de controles
worden toegepast over het belastingjaar 2007, maar naheffingen over voorgaande
jaren worden mogelijk ook opgelegd).
De naheffing wordt altijd opgelegd als van privégebruik van de auto van
de zaak sprake is. De verklaring ‘geen privégebruik auto van de
zaak’ kan op elk gewenst moment worden ingetrokken. Een naheffing wordt
dan opgelegd over de periode waarin er privé in de auto van de zaak is
gereden. De werkgever moet na intrekking van de verklaring het gebruik weer
in de loonheffing opnemen. Indien de verklaring wordt ingetrokken wordt de bijtelling
niet verhoogd met een boete.
Rekenvoorbeeld:
Een werknemer met een salaris van € 3.000 per maand rijdt in een auto van
de zaak met een cataloguswaarde van € 30.000. Als bij controle blijkt dat
de verklaring ‘geen privégebruik auto van de zaak’ niet is
ingetrokken terwijl er meer dan 500 privékilometers per jaar mee wordt
gereden kan hij de volgende naheffingsaanslag verwachten:
Bijtelling € 30.000 x 22% = € 6.600 x belastingtarief 42 % = €
2.772.
Eventuele boete 50% van € 2.772 = € 1.386.
Totale aanslag € 4.158.
U ziet: een goede reden om te controleren of alle verklaringen die opgestuurd
zijn nog actueel zijn. Zo niet, dan kan bij de Belastingdienst het formulier
‘intrekking verklaring geen privégebruik auto van de zaak’
opgevraagd worden.
(maart 2007).
Onderschat discussiesite niet
Kent u de sites waar men discussieert over producten? Steeds meer mensen (25%)
zoeken eerst op internet informatie over een product. De klant is minder trouw
aan een merk dan voorheen. Hij staat argwanend tegenover reclame en hecht meer
waarde aan het oordeel van vrienden en familie. Bedrijven laten zich niet zien
op die discussiesites, maar laten zo kansen liggen. Dit wordt veelal gedaan
uit angst de ‘controle te verliezen’. Er leeft het idee dat men
met reclame-uitingen zelf bepaalt hoe er over het product gedacht wordt. Toch
is het voor u als ondernemer verstandig om u te mengen in de discussies. Discussies
vinden namelijk sowieso plaats en zo kunt u invloed uitoefenen en profiteren
van de kennis van de klanten.
(maart 2007).
Wat verandert er voor u door uniforme dienstverlening van het UWV?
Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) gaat in de loop van
dit jaar organisatiebreed gebruikmaken van één enkel incassosysteem.
Tot nog toe werden er verschillende systemen gebruikt, die gerelateerd waren
aan de uitkeringsinstellingen die in het UWV zijn opgegaan.
Het UWV gaat, om de dienstverlening te uniformeren én om de interne administratie
efficiënter te maken, het incasseren van premies en boetes van de jaren
vóór 2006 uitvoeren via het incassosysteem van het vroegere GAK.
In de eerste helft van 2007 is de overgang gepland. Dit wordt in fases uitgevoerd,
achtereenvolgens voor de vroegere USZO, BVG, Detam, GUO en Bouw.
Wat verandert er nu voor u?
• U krijgt een aparte nota voor te betalen/ontvangen bedragen en herinneringen
c.q. aanmaningen, met specificatie naar: Sociale Verzekering (SV), Boete, Arbeidsgehandicaptenkorting
(AGH), Re-integratie Arbeidsgehandicapten (REA), OR (premie Ondernemingsraad).
• Betaling is helaas alleen nog mogelijk via acceptgirokaart of betalingsopdracht
(niet meer per automatische incasso!).
• Betalingen dient u voortaan over te maken op rekeningnummer 67.25.35.300
ten name van het UWV te Amsterdam (o.v.v. uw aansluitingsnummer).
Schroom niet om contact met ons op te nemen om u hierbij van dienst te zijn.
(maart 2007).
Wetswijzigingen pensioen- en zorgverzekering van 2006
Uit onderzoek is gebleken dat werknemers in 2006 alle veranderingen op het
gebied van pensioen- en zorgverzekering met moeite konden bijhouden. Van hen
heeft vrijwel niemand gebruik gemaakt van de levensloopregeling. Negen van de
tien bedrijven heeft een collectieve levensloopregeling afgesloten. Ruim een
kwart van de werkgevers verstrekt hierbij een werkgeversbijdrage. De meeste
werknemers maken geen gebruik van de levensloopregeling, maar laten dit uitbetalen.
Bijna 95% van de ondernemingen heeft een collectieve ziektekostenverzekering
afgesloten voor het personeel. Vier van de tien verstrekken een extra werkgeversbijdrage
naast de verplichte 6,5%. Alhoewel er gekozen kan worden voor een andere collectiviteit
dan die de werkgever aanbiedt, hebben de meeste werknemers dat niet gedaan.
De keuze voor de zorgverzekeraar laat men dus veelal over aan de werkgever.
(maart 2007).
Veranderde Arbeidstijdenwet (per 1 april 2007)
De Arbeidstijdenwet is vereenvoudigd en zal op 1 april 2007 in werking treden.
Deze wet stelt regels vast voor arbeids- en rusttijden. Dit met het oog op veiligheid,
gezondheid en welzijn. Tevens heeft de wet tot doel om het voor werknemers makkelijker
te maken om werk te combineren met zorgtaken en/of andere verantwoordelijkheden
die zij buiten het werk hebben. Met deze veranderde wet krijgen werkgevers en
werknemers meer mogelijkheden om zelf afspraken te maken over de arbeids- en
rusttijden.
Wat er verandert per 1 april 2007:
- De maximum arbeidstijd is 12 uur per dienst en 60 uur per week. In een periode
van 4 weken mag een werknemer gemiddeld 55 uur per week werken en per 16 weken
gemiddeld 48 uur.
- Een nachtdienst mag niet langer duren dan 10 uur. Voor werknemers die regelmatig
nachtdiensten draaien, mag de werkweek over een periode van 16 weken gemiddeld
niet meer dan 40 uur bedragen. Na één of meer nachtdiensten geldt
altijd een langere rusttijd.
Het aantal nachtdiensten dat een werknemer draait blijft beperkt: per 16 weken
maximaal 36 nachtdiensten. Alleen bij cao of na een afspraak van de werkgever
met de ondernemingsraad mag dit aantal verhoogd worden tot 140 nachtdiensten
per jaar.
De huidige standaard- en overlegregeling komt te vervallen. Behalve voor het
aantal nachtdiensten, geldt in de nieuwe wet voortaan nog maar één
norm.
Van sommige bepalingen (met betrekking tot pauzeduur, aantal vrije zondagen
en gemiddelde wekelijkse arbeidstijd per 4 weken) mag uitsluitend ‘bij
collectieve regeling’ gebruik gemaakt worden. Dat wil zeggen nadat daarover
in collectief overleg overeenstemming is bereikt, bijvoorbeeld in een cao of
een schriftelijke overeenstemming tussen de werkgever en het medezeggenschapsorgaan
over een arbeids- en rusttijdenregeling (meestal de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging).
In principe geldt de Arbeidstijdenwet voor iedereen die voor een werkgever werkt,
dus voor alle werknemers, inclusief stagiaires, uitzendkrachten en gedetacheerden.
In een aantal gevallen geldt de Arbeidstijdenwet ook voor zelfstandigen. Het
gaat dan om situaties waarin ook de veiligheid van derden in het geding is,
zoals in de vervoerssectoren.
De nieuwe Arbeidstijdenwet zal op 1 april 2007 in werking treden. Voor sectoren
die een cao hebben afgesloten die vóór genoemde datum in werking
is getreden, is er een overgangsregeling. In deze sectoren blijft de oude wet
van toepassing tot het moment dat die cao afloopt, maar nooit langer dan 1 jaar
na inwerkingtreding van de wet. Uiterlijk op 1 april 2008 geldt de nieuwe wet
dus voor alle sectoren.
(maart 2007).
Benzinebonnen en aftrek BTW
Let op bij contant betalen bij tanken. Als u rekent op BTW-teruggave van uw
benzinekosten moet u aan bepaalde voorwaarden voldoen.
De belastingwet schrijft voor dat de BTW pas afgetrokken kan worden als er op
een voorgeschreven wijze een factuur is gemaakt. Een vereiste is dat de naam
en het adres van de ondernemer en zijn afnemer op de factuur zijn opgenomen.
Bij benzinebonnen hoeven de gegevens van de afnemer (u als klant dus) niet noodzakelijk
op de bon te staan, echter de betalingen moeten wel traceerbaar zijn.
Bij contant afrekenen voldoet de ondernemer of de werknemer volgens de Belastingdienst
niet aan deze voorwaarde.
Om uw BTW-teruggave probleemloos te laten verlopen, dient u dus te betalen door
middel van een bank- of giropas, creditkaart of een tankkaart.
(maart 2007).
Verandering Wet Kinderopvang: wat betekent deze wet voor u als ondernemer?
De Wet kinderopvang bestaat sinds 1 januari 2005 en hierin staat dat ouders,
werkgevers en overheid samen verantwoordelijk zijn voor de kinderopvang.
De wet liet het aan werkgevers over of ze hun personeel met kinderen al dan
niet een financiële bijdrage voor kinderopvang zou verstrekken. De bedoeling
was dat in 2008 ruim 90% van de werknemers met kinderen een werkgeversbijdrage
zou ontvangen voor kinderopvang. Gebleken is echter dat 35% geen of geen volledige
bijdrage ontving. Omdat de streefcijfers voor 2008 niet gehaald zouden worden,
is per 1 januari 2007 de vrijwillige werkgeversbijdrage vervangen door een verplichte
bijdrage.
Werkgevers betalen nu geen vergoeding meer aan werkende ouders. Deze ontvangen
voortaan alleen nog van de overheid een bijdrage voor de kinderopvang. De kosten
hiervan rekent de overheid door aan alle werkgevers. Dit gebeurt via een vaste
opslag op het werkgeversdeel van de WW-premie (de 'sectorpremie'). In 2007 bedraagt
deze zogeheten kinderopvangheffing 0,28% van het premieloon. Deze heffing geldt
voor zowel het loon van werknemers met kinderen als zonder kinderen.
Ouders krijgen een toeslag als ze gebruik maken van formele kinderopvang (een
geregistreerd kinderopvangcentrum of gastoudergezin dat is aangesloten bij een
ingeschreven gastouderbureau).
Als u als werkgever op eigen initiatief een werkgeversbijdrage betaalde, kon
u hier sinds 1 januari 2007 mee stoppen. Mocht uw bijdrage voortkomen uit een
cao of een bedrijfsregeling dan kan het zijn dat u de bijdrage nog moet betalen
zolang de cao en bedrijfsregeling niet zijn aangepast aan de nieuwe situatie.
Daarom is geregeld dat u zolang deze situatie zich voordoet per 1 januari 2007
uitsluitend nog verplicht bent de afgesproken werkgeversbijdrage te betalen
voor zover deze gunstiger is dan de vaste toeslag die de overheid aan de ouders
verstrekt.
Uw administratieve lasten nemen af als u voorheen een werkgeversbijdrage verstrekte.
Dit geldt echter niet als u nog met de genoemde overgangsregeling te maken heeft.
Werknemers met kinderen waren in de oude situatie minder aantrekkelijk voor
werkgevers die een bijdrage betaalden dan werknemers zonder kinderen. Dat is
nu niet meer het geval, aangezien nu voor iedere werknemer een opslag moet worden
betaald.
Situatie voor zelfstandigen.
Met de invoering van de Wet Kinderopvang in 2005 kregen zelfstandigen dezelfde
rechten als werknemers wat de vergoeding van de kinderopvang betrof. Zij konden
aanspraak maken op een inkomensafhankelijke toeslag én op een extra inkomensafhankelijke
compensatie van het Rijk omdat ze geen werkgeversbijdrage ontvingen. Vanaf 1
januari 2007 hebben zelfstandigen recht op de vaste toeslag en op de inkomensafhankelijke
toeslag.
(maart 2007).
Gewijzigde grensbedragen rechtspersonen
Per 25 oktober jl. zijn de grensbedragen uit artikel 2:396 lid 1 en artikel 2:397 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek aangepast aan een dienovereenkomstige wijziging van de vierde EU-richtlijn inzake de jaarrekening. Het besluit tot wijziging is gepubliceerd in Staatsblad 2006, nr. 474. Sindsdien gelden de volgende nieuwe citeria:
Middelgroot:
- totaal aan activa was tot € 14.600.000, wordt tot € 17.500.000
- netto-omzet was tot € 29.200.000, wordt tot € 35.000.000
- aantal werknemers blijft: kleiner dan 250
Klein:
- totaal aan activa was tot € 3.650.000, wordt tot € 4.400.000
- netto-omzet was tot € 7.300.000, wordt tot € 8.800.000
- aantal werknemers blijft: kleiner dan 50
De grensbedragen bepalen of een rechtspersoon klein, middelgroot of groot is.
Indien een rechtspersoon klein of middelgroot is, zijn bepaalde vrijstellingen
van de wettelijke voorschriften voor het opstellen, doen controleren en publiceren
van de jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens mogelijk. Door de
verhoging van de grensbedragen kunnen meer rechtspersonen profiteren van die
vrijstellingen.
Volgens artikel 3 van het besluit zijn de nieuwe grensbedragen van toepassing
op de jaarrekening over 2007 en kunnen ze ook al worden toegepast op de jaarrekening
over 2006. In de praktijk is onduidelijkheid ontstaan over de vraag hoe deze
toepassing zich verhoudt tot het voorschrift van het eerste lid van de artikelen
2:396 en 397 BW, dat de rechtspersoon op twee opeenvolgende balansdata moet
hebben voldaan aan twee van de drie criteria van een bepaalde categorie, om
als middelgrote of kleine rechtspersoon te worden geclassificeerd.
Uit overleg met het ministerie van Justitie is gebleken dat het de bedoeling
van het besluit is om het bedrijfsleven al in een zo vroeg mogelijk stadium
te laten profiteren van de verlichting van de administratieve lasten ten gevolge
van de verhoging van de grensbedragen. De nieuwe bedragen gelden vanaf het moment
dat de grensbedragen door het in werking getreden besluit zijn gewijzigd. Om
voor boekjaren die zijn begonnen op of na 1 januari 2006, vast te stellen of
op twee achtereenvolgende balansdata is voldaan aan de hoogte van de grensbedragen,
mogen ook voor het vorige boekjaar (dat is begonnen op of na 1 januari 2005)
de aangepaste grensbedragen worden gehanteerd. Een rechtspersoon die dus de
jaarrekening over 2005 heeft opgesteld als middelgrote rechtspersoon, maar die
met de nieuwe grensbedragen over zowel 2005 als 2006 onder de categorie kleine
rechtspersoon valt, mag de jaarrekening over 2006 opstellen als kleine rechtspersoon
en de vrijstellingen van artikel 2:396 BW toepassen.
Volledigheidshalve heeft het ministerie van Justitie te kennen gegeven dat dit
is wat met het besluit is beoogd, hoewel uiteindelijk de rechter altijd het
laatste woord heeft bij kwesties van interpretatie van wetten en besluiten.
De artikelen 2:396 en 397 BW zijn facultatieve bepalingen, zodat toepassing
ervan vrijstaat. Voor de duidelijkheid zij opgemerkt dat het grootte-regime
voor jaarrekeningen over boekjaren die zijn begonnen vóór 1 januari
2006 op basis van de oude grensbedragen wordt bepaald.
(december 2006).
Loon DGA alleen nog belast in de inkomstenbelasting
De Tweede Kamer heeft het Belastingplan 2007 aangenomen. Door middel van een
amendement is hierin opgenomen dat het loon dat de directeur-grootaandeelhouder
(DGA) van de BV ontvangt, vanaf 1 januari 2008 alleen nog in de inkomstenbelasting
wordt belast en niet meer in de loonbelasting. De fiscale positie van de directeur-grootaandeelhouder
wijzigt in beginsel niet. De BV wordt dan niet meer als inhoudingsplichtige
aangemerkt. Het voeren van een loonadministratie voor de DGA is niet meer nodig.
Wat uiteraard een werkelijke lastenverlichting is. Deze regeling geldt slechts
als er uitsluitend een of meer DGA's in dienst zijn.
(december 2006).
Vooruitgang in pensioensituatie van ZZP’ers
De groep van ZZP’ers (zelfstandigen zonder personeel) wordt door de vakcentrale
FNV op zo’n 500.000 mensen geschat. Dit zal naar verwachting in 2010 zijn
toegenomen tot circa 800.000, wat 15% van de beroepsbevolking inhoudt. Dit is
dus zeker geen kleine groep, maar naar de mening van de vakcentrale is het een
vergeten groep. De FNV noemt inkomensverzekeringen voor pensioen, arbeidsongeschiktheid
en zwangerschap veelal onbereikbaar of onbetaalbaar voor deze groep. De FNV
meent dat meer dan de helft van de ZZP'ers niet verzekerd is voor arbeidsongeschiktheid.
De vakcentrale gaat wat doen aan de pensioensituatie. Ze gaat eenmansbedrijfjes
die FNV-lid zijn vanaf volgend jaar een collectieve pensioenregeling aanbieden.
Zo wordt de mogelijkheid gegeven aan 25.000 ZZP’ers om een gunstiger pensioen
op te bouwen. De FNV verwacht binnen enkele weken de onderhandelingen over het
nieuwe pensioenfonds met de verzekeraars af te ronden.
(december 2006).
Minimumloon per 1 januari 2007
Per 1 januari 2007 wordt het bruto minimumloon verhoogd tot € 1.300,80
per maand.
Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de hoogte van het
minimumloon per 1 januari 2007 bekend gemaakt. Tweemaal per jaar wordt het minimumloon
aangepast aan de gemiddelde ontwikkeling van de CAO-lonen.
Iedere werknemer tot van 23 tot 65 jaar heeft recht op het wettelijk minimumloon.
Voor werknemers van 15 tot 23 jaar geldt het minimumjeugdloon. Per leeftijdsjaar
geldt een ander minimumloon. Voor jongeren van 14 jaar en jonger bestaat (nog)
geen wettelijk minimumloon. In november 2006 sprak de Hoge Raad zich nog uit
tegen een wettelijk minimumloon voor 13- en 14-jarigen.
Voor een werknemer van 23 jaar of ouder is het bruto minimumloon bij een volledig
dienstverband per 1 januari 2007:
per maand € 1.300, 80; per week € 300, 20; per dag € 60, 04.
Bruto minimumjeugdlonen per 1 januari 2007:
Leeftijd, percentage van het bovengenoemde minimumloon en maand bedrag:
22 jaar 85,0 % € 1.105,70
21 jaar 72.5 % € 943,10
20 jaar 61.5 % € 800,00
19 jaar 52.5 % € 682,90
18 jaar 45.5 % € 591,85
17 jaar 39.5 % € 513,80
16 jaar 34.5 % € 448,80
15 jaar 30,0 % € 390,25
(december 2006).
Geen minimumloon voor 13- en 14-jarigen
Jongeren van 13 en 14 jaar oud krijgen toch geen recht op een minimumloon.
Dit blijkt na een uitspraak van de Hoge Raad, die hiermee een uitspraak van
het Haagse gerechtshof en de rechtbank in Den Haag vernietigt. Vakcentrale FNV
en CNV Jongeren maakten zich altijd hard voor een minimumloon voor deze jonge
werknemers en waren hierover een rechtszaak tegen de Staat begonnen.
De Hoge Raad stelt in haar uitspraak dat het uitblijven van minimumloon voor
13 en 14 jaar geen leeftijdsdiscriminatie is. Sinds 1996 mogen 13- en 14-jarigen
licht werk verrichten. Bedrijven hoeven zich, in tegenstelling tot 15-jarigen,
bij deze groep niet aan een minimumsalaris te houden. De vakbonden vinden dat
iedereen die werkt, moet worden beschermd door een minimumloon. De overheid
wil de jongeren niet stimuleren van school weg te blijven en is daarom tegen
het recht op minimumloon voor de groep.
In tegenstelling tot de Hoge Raad hebben lagere rechtscolleges eerder besloten
dat de Staat niet kan hardmaken dat meer 13- en 14-jarigen gaan werken als ze
een minimumsalaris verdienen. Volgens de Hoge Raad bestaat er een redelijke
en objectieve rechtvaardiging voor het maken van een onderscheid tussen deze
leeftijdscategorieën op het punt van het minimumloon.
Raad stelt dat het internationaal aanvaard is dat jongeren pas na hun 15de verjaardag
betaald mogen verrichten. Met de lichte klusjes die zij alleen onder toezicht
mogen uitvoeren, is het niet de bedoeling dat zij daarvan moeten leven. De Hoge
Raad stelt: 'invoering van een minimumjeugdloon zou de verkeerde indruk kunnen
wekken dat inschakeling van deze kinderen in het gewone arbeidsproces aanvaardbaar
zou zijn'.
(december 2006).
Verkoop onderneming telt mee voor urencriterium
Wanneer u uw bedrijf verkoopt, is het toegestaan om de hieraan bestede uren
mee te tellen voor het urencriterium. Dat heeft de Hoge Raad onlangs bepaald.
Dit criterium is onder andere van belang voor de zelfstandigenaftrek.
Op 1 mei 1997 verkocht een ondernemer zijn onderneming. In zijn aangifte inkomstenbelasting
1997 claimde hij de zelfstandigenaftrek. De inspecteur was het hier niet mee
eens. De uren die de man na 1 mei 1997 had besteed aan de afwikkeling van de
verkoop van zijn onderneming telden volgens de inspecteur niet mee. Hierdoor
voldeed de man niet aan het urencriterium (1.225 uur werkzaam in de onderneming).
De inspecteur werd door het hof in het gelijkgesteld. De man dreef vanaf 1 mei
1997 geen onderneming meer, zodat de uren na mei 1997 niet waren besteed aan
het feitelijk drijven van een onderneming. De zaak kwam uiteindelijk voor de
Hoge Raad terecht.
Deze floot het hof echter terug. De Hoge Raad was van mening dat de afwikkeling
van een onderneming nadat deze is gestaakt, wel degelijk samenhangt met het
feitelijk drijven van een onderneming. De uren die besteed zijn aan deze afwikkeling
kunnen worden beschouwd als ‘in beslag genomen door het feitelijk drijven
van een onderneming’. De man mocht de uren dus wél meetellen voor
het urencriterium.
(december 2006).
Ondernemer niet verplicht administratiesoftware van de fiscus te gebruiken
U weet dat u als ondernemer verplicht bent een degelijke, betrouwbare administratie
bij te houden. Dat laat u wellicht door ons doen of u houdt (samen met ons)zelf
alle cijfers bij. Uit een recente uitspraak van de rechtbank in Breda blijkt
dat de administratieverplichting niet eindloos kan worden opgerekt.
Want het voert te ver als een belastinginspecteur eisen gaat stellen aan de
inrichting van de boekhouding. Als ondernemer mag u de boekhouding inrichten
op een voor u wenselijke manier, mits de Belastingdienst binnen een redelijke
termijn inzicht kan verkrijgen in uw cijfers.
De ondernemer die in de casus centraal staat, maakt voor zijn administratie
gebruik van het softwarepakket ‘SAP R3’. De inspecteur in kwestie
wil echter dat de ondernemer een speciaal door de Belastingdienst ontwikkeld
softwarepakket gebruikt om het voorraadverloop te bepalen. De rechtbank in Breda
krijgt de vraag voorgelegd of de administratie moet worden aangeleverd op een
door de inspecteur bepaalde wijze, of dat de ondernemer hierin vrij is.
Bij de beoordeling van de zaak wijzen de rechters er allereerst op dat de inspecteur
een wettelijke bevoegdheid heeft om eisen te stellen aan de inrichting van de
boekhouding. Deze eisen mogen, zo redeneren zij, echter niet verder gaan dan
noodzakelijk om controle door de Belastingdienst binnen een redelijke termijn
mogelijk te maken. Vervolgens stelt het rechtscollege vast dat de boekhouding
van de ondernemer in kwestie voldoet aan deze eisen. Daarom mag de inspecteur
van de belastingplichtige niet verlangen dat hij gebruikmaakt van een ander
softwarepakket, zelfs niet indien dit voor de Belastingdienst efficiënter
is. De rechtbank oordeelt daarom ten gunste van de ondernemer.
(december 2006).
Kabinet: landbouwgrond vrijstellen van overdrachtsbelasting
Het Kabinet wil de verkrijging van alle cultuurgrond die bestemd is voor toepassing
in de landbouw vrijstellen van overdrachtsbelasting. Ter voorkoming van misbruik
van de vrijstelling wordt de eis gesteld, dat de grond nog gedurende 10 jaar
in de landbouw wordt gebruikt.
Dat blijkt uit een brief van minister Zalm van Financiën waarin hij ingaat
op vragen vanuit de Tweede Kamer over het wetsvoorstel Werken aan Winst. Het
kabinet wil met de cultuurgrondvrijstelling een einde maken aan een wirwar van
bestaande vrijstellingen in de agrarische sfeer met ieder hun eigen zeer specifieke
en ingewikkelde voorwaarden, schrijft Zalm.
Het enkele feit dat er bijvoorbeeld een wijziging van het bestemmingsplan plaatsvindt,
hoeft niet te betekenen dat alle in deze termijn genoten vrijstellingen op grond
van de cultuurgrondvrijstelling komen te vervallen. Pas op het moment dat binnen
de termijn de grond feitelijk niet meer als landbouwgrond wordt gebruikt, komen
alle eerder verkregen vrijstellingen te vervallen. Door het opnemen van een
kettingbeding in de koopovereenkomst kunnen verkopende partijen op eenvoudige
wijze financiële risico’s uitsluiten en ervoor zorgen dat zij aan
hun verplichtingen kunnen voldoen, stelt de minister.
De heffing van overdrachtsbelasting kan ook achterwege gelaten worden wanneer
de verkregen grond een natuurbestemming krijgt. Dit om een drempel weg te nemen
voor agrarisch natuurbeheer. Als dit binnen het kader van het landbouwbedrijf
plaatsvindt, valt dit binnen de vrijstelling.
Als de grond binnen tien jaar gebruikt wordt voor de bouw van agrarische bedrijfsopstallen
zou in principe alsnog overdrachtsbelasting verschuldigd zijn omdat de grond
niet langer als cultuurgrond wordt benut. In deze specifieke situatie kan heffing
van overdrachtsbelasting ook achterwege blijven omdat de bouw van agrarische
bedrijfsopstallen gezien kan worden als passend binnen de voortzetting van het
agrarische bedrijf.
Er is niet overwogen de regeling zo vorm te geven dat een uitzondering wordt
gemaakt bij wijziging van grondgebruik door overheidsingrijpen binnen de tienjaarstermijn.
In een dergelijke situatie zal de verschuldigdheid van overdrachtsbelasting
in de verkoopprijs verdisconteerd zitten, aldus Zalm.
(december 2006).
Adviesraad en een Kenniscentrum voor Microkredieten
Er komt een Adviesraad en een Kenniscentrum voor het verzamelen en verspreiden
van kennis en ervaring over microkredieten.
Dat heeft Staatssecretaris Van Gennip van Economische Zaken bekend gemaakt na
een werkbezoek en een overleg met vertegenwoordigers van banken in Amsterdam.
De Adviesraad zal de overheid gaan adviseren over beleid voor microfinanciering,
dat zijn leningen aan ondernemers van minder dan € 25.000.
Veel kleine ondernemers hebben moeite bij het krijgen van een financiering omdat
het om kleine bedragen gaat waar voor de banken weinig zekerheden tegenover
staan. Tevens zijn er moeilijk te beoordelen risico´s. Ook is vaak meer
begeleiding nodig dan banken kunnen en willen bieden. Inmiddels is er een aantal
initiatieven waar ondernemers een dergelijk krediet kunnen krijgen zoals het
Startersfonds Zuidoost in Amsterdam waar Van Gennip een bezoek bracht samen
met H.K.H. Prinses Maxima. Die initiatieven zijn veelal lokaal en hebben vaak
een beperkte looptijd. De Adviesraad en het kenniscentrum moeten de versnipperde
kennis bundelen.
(december 2006).
Coulance bij boetebeleid Eerstedagsmelding
Sinds maandag 3 juli 2006 is de Eerstedagsmelding (EDM) in werking getreden.
U dient uw nieuwe werknemers via de EDM te registreren bij de Belastingdienst.
In de praktijk is gebleken dat de EDM toch nog vragen en onduidelijkheden met
zich meebrengt. De Belastingdienst heeft laten weten dat zij niet direct boetes
zal uitdelen wanneer werkgevers fouten maken met de EDM. De nadruk zal liggen
op ondersteuning van werkgevers bij het tijdig en juist doen van de EDM. Zorg
echter wel dat u de EDM snel ‘in de vingers krijgt’, want hoelang
deze periode van coulance zal duren, is niet bekend.
(september 2006).
Extra tijd voor administratie overstappen van spaarloon naar
levensloop
Vanaf 2006 kunnen werknemers jaarlijks kiezen aan welke regeling ze willen deelnemen:
spaarloon of levensloop. Een werknemer die in 2006 aan spaarloon heeft deelgenomen,
heeft tot 1 juli 2006 de mogelijkheid gehad om die keuze te herzien. De stortingen
in de spaarloonregeling die in 2006 tot die datum hebben plaatsgevonden, moesten
in dat geval vóór 1 juli door de bank zijn teruggestort naar de
werkgever.
Staatssecretaris Wijn van Financiën heeft nu goedgekeurd dat de werkgever
tot en met 30 september (in plaats van tot 1 juli) de tijd heeft om dit teruggestorte
spaarloon vervolgens als belast loon uit te keren aan de werknemer. Hiermee
komt hij tegemoet aan signalen uit de praktijk dat het veel werkgevers nog niet
is gelukt om de omzetting van spaarloon naar levensloop in de loonadministratie
te verwerken.
(september 2006).
Hogere WW-premie om kinderopvang te betalen
Even leek het erop dat u als werkgever zou worden verplicht om bij te dragen
aan de kosten van kinderopvang. Dit is nu van de baan. De overheid gaat meer
bijdragen aan kinderopvangkosten. Juich echter niet te vroeg, want werkgevers
gaan vanaf 1 januari 2007 wel een hogere WW-premie betalen.
Uit onderzoek van minister De Geus van Sociale Zaken bleek dat 65% van de werkgevers
een bijdrage aan de kinderopvangkosten van het personeel leveren. Het regeringsstreven
was dat 90% van de werkgevers in 2008 een bijdrage zou leveren. De Geus is na
overleg met werkgevers en werknemers tot de conclusie gekomen dat dit niet meer
haalbaar is.
Daarom is de ministerraad akkoord gegaan met een wetsvoorstel om de vrijwillige
werkgeversbijdrage te vervangen door een verhoging van de overheidsbijdrage
en de kosten hiervan op alle werkgevers te verhalen. Dit betekent dat werkgevers
te maken krijgen met een verhoging van het werkgeversdeel van de WW-premie.
Het maakt daarbij niet uit of en in welke mate werknemers gebruikmaken van kinderopvang.
De opslag zal naar schatting 0,28% van de loonsom bedragen. De premieopslag
zal echter geen extra administratieve lasten met zich meebrengen, zo verwacht
de regering. Het wetsvoorstel zal binnenkort worden ingediend bij de Tweede
Kamer. De Raad van State heeft er inmiddels al advies over uitgebracht.
(september 2006).
Onbelaste maaltijdvergoeding op koopavond alleen bij lange werkdag
U kunt uw werknemers een onbelaste maaltijdvergoeding verstrekken op een vaste
(wekelijkse) koopavond. Let hierbij wel op dat uw werknemer op de dag van de
koopavond niet alleen ’s middags maar ook ’s ochtends heeft gewerkt.
Anders is de vergoeding niet onbelast. Rechtbank Den Haag, die hierover een
procedure behandelde, heeft een norm gesteld. Naar hedendaagse opvattingen behoort
het werken op een wekelijkse koopavond tot een normaal werkpatroon in een onderneming
(winkel) als in deze procedure. Voorwaarde is wel dat er niet langer dan 8 à
9 uur wordt gewerkt.
De procedure heeft betrekking op de premieheffing werknemersverzekeringen. De
betreffende bepaling uit de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen vertoont
grote gelijkenissen met het bepaalde in de Wet op de loonbelasting waardoor
de uitspraak van belang kan zijn voor de heffing van loonbelasting.
(september 2006).
Verkeersboetes tijdens werktijd voor rekening van de werkgever
Rijden uw werknemers regelmatig te hard tijdens werktijd? Dan laat u hen zelf
de boete betalen. Het gerechtshof in Den Haag denkt hier anders over. Op 12
mei 2006 heeft het Gerechtshof uitspraak gedaan in een zaak tussen TPG Post
en een van haar postbezorgers. De chauffeur overtrad een aantal malen de snelheidslimiet
en werd daarbij geflitst. De drie bekeuringen werden opgelegd aan TPG Post,
want die is kentekenhouder van de bestelbus. Deze verhaalde de boete op de werknemer.
De rechter ging uiteindelijk niet akkoord met het verhalen van twee boetes op
de werknemer. Het Hof oordeelt dat men in het verkeer gemakkelijk even iets
te hard rijdt zonder dat er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. Over
het algemeen zal er dan ook bij een overschrijding van de maximum snelheid tot
10 kilometer per uur geen sprake zijn van opzet of bewuste roekeloosheid. TPG
Post moest de boetes ten aanzien van de snelheidsovertredingen van 4 en 6 kilometer
per uur terugbetalen aan de werknemer. TPG is in hoger beroep gegaan. Door het
cassatieverzoek van TPG wordt de uitspraak van het Gerechtshof opgeschort. Dat
betekent dat verkeersovertredingen vooralsnog verhaald kunnen blijven worden
op werknemers. De onderneming hoopt dat de Hoge Raad de kwestie terugverwijst.
Algemeen geldt in het arbeidsrecht dat een werknemer zich moet gedragen als
goed werknemer. Het is dus mogelijk in een arbeidscontract op te nemen dat een
bepaald aantal boetes (in een bepaalde periode) voor rekening komt van de werkgever,
maar dat dan elke boete daarna voor rekening is van de werknemer. Zo'n regeling
is niet in strijd met de wet.
(september 2006).
Aanschaf zuinige auto levert belastingvoordeel op
Menig autoreclamespot wijst u er al op. Kopers van zuinige auto’s krijgen
een korting op de Belasting van Personenauto's en Motorrijwielen (BPM). Hoe
zuiniger de auto, hoe meer korting. Op niet-zuinige auto's komt meer belasting.
De aanschafbelasting op een nieuwe personenauto is afhankelijk van het energielabel.
Voor zuinige auto's wordt een korting gegeven (€ 1000 voor A-label) en
voor niet-zuinige auto's moet meer belasting worden betaald (€ 540 voor
een G-label) Voor een zuinige auto met hybride aandrijving is de korting extra
hoog (tot € 6000). Een hybride auto wordt aangedreven door een combinatie
van benzine-dieselmotor en elektromotor.
Op elke nieuwe personenauto is een energielabel aangebracht. Op dit label wordt
het brandstofverbruik, de CO2-uitstoot en de zuinigheidscategorie vermeld. De
zuinigheidscategorie geeft aan hoe zuinig of onzuinig de auto is ten opzichte
van andere auto's die ongeveer net zo groot zijn. Auto's met een A-label zijn
zuinig voor hun grootte en auto's met een G-label onzuinig.
De CO2-uitstoot van het wegverkeer is de afgelopen jaren flink toegenomen en
dat heeft nadelige gevolgen voor het klimaat. Om de uitstoot van broeikasgassen
te verminderen wil de overheid de aankoop van zuinige auto's bevorderen. Een
zuinige auto verbruikt minder energie en stoot dus minder CO2 uit.
(september 2006).
Verlaging dividendbelasting niet interessant voor DGA's
De dividendbelasting gaat omlaag van 25% naar 15%. Dat lijkt interessant, maar
is het niet, althans niet voor directeuren-grootaandeelhouders. De maatregel
is vooral bedoeld voor grote bedrijven, om het fiscaal aantrekkelijker te maken
zich in Nederland te vestigen.
Bij een tarief van 15% in de dividendbelasting moet een DGA voortaan 10% van
het uitgekeerde (bruto)dividend bijpassen voor de inkomstenbelasting. Dit komt
doordat het vaste tarief in Box II onveranderd 25% blijft.
Let op: het feit dat u later moet bijbetalen, kan tot gevolg hebben dat u juist
duurder uit bent, omdat er ook heffingsrente in rekening wordt gebracht. U kunt
dit voorkomen door de fiscus te vragen om meteen een aanvullende voorlopige
aanslag inkomstenbelasting op te leggen, ter grootte van 10% van het uitgekeerde
dividend.
(september 2006).
Wijziging BTW-onderwijsvrijstelling per 1 december 2006
Er zijn nieuwe BTW-richtlijnen vastgesteld, die ingaan per 1 december 2006.
De keuzemogelijkheid voor beroepsonderwijs wordt op deze datum afgeschaft. Een
overgangsregeling zal gelden voor contracten die voor 1 december 2006 zijn ingegaan
en die zijn gesloten voor een periode van maximaal één jaar.
Het gaat hierbij ten eerste om beroepsonderwijs in strikte zin, zoals een opleiding
voor een specifiek beroep of beroepsherscholing. Daarnaast geldt de vrijstelling
voor bepaalde opleidingen en cursussen die buiten het beroepsonderwijs vallen.
Dit zijn name opleidingen voor het functioneren in een (toekomstige) werkkring.
Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan tekstverwerkingscursussen, managementcursussen,
automatiseringscursussen en cursussen administratieve organisatie. De vrijstelling
van BTW heeft als gevolg dat de BTW op de kosten die betrekking hebben op dit
onderwijs vanaf 1 december 2006 niet meer aftrekbaar zijn.
(september 2006).
Pensioen en de DGA
Naar verwachting wordt de Pensioenwet, die de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW)
vervangt, per 1 januari 2007 ingevoerd. De directeur-grootaandeelhouder valt
niet onder de reikwijdte van de nieuwe wet. Dit betekent dat een aantal zaken
moet worden vastgelegd in de pensioenbrief, maar het belangrijkste gevolg is
dat het extern verzekerde pensioen van de DGA niet meer is beschermd bij een
faillissement.
Onder de huidige pensioenwetgeving, de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW) is
het extern verzekerde pensioen van de DGA beschermd bij een faillissement. Voor
zover het pensioen in eigen beheer wordt opgebouwd, loopt de DGA wel risico.
Voor bestaande DGA-pensioenregelingen zal waarschijnlijk een overgangsrecht
van kracht worden. Zoals het er nu naar uitziet blijft gedurende het eerste
jaar na invoering van de Pensioenwet voor die werknemers, die op het moment
van invoering van de Pensioenwet DGA zijn, de huidige PSW van kracht. Dit betekent
dat gedurende het eerste jaar na invoering ook de huidige regels voor waardeoverdracht
gelden. Dit geeft de DGA dus een jaar de tijd om een beslissing te nemen over
het al dan niet extern verzekeren van zijn pensioen.
Op basis van hetgeen hierover momenteel bekend is, zal de DGA die al een pensioentoezegging
heeft, onder de Pensioenwet vallen voor zover de pensioenopbouw bij aanvang
van de wet al bij een verzekeraar geschiedt. De beschermende werking bij faillissement
van de Pensioenwet kan dus een reden zijn, nu reeds het (gehele) pensioen bij
een verzekeringsmaatschappij onder te brengen.
De DGA kan kiezen of hij gedurende het jaar 2007 zijn pensioen bij een verzekeraar
wil onderbrengen of in eigen beheer houdt. Wanneer wordt gekozen voor het onderbrengen
bij een verzekeraar, dient de DGA zich als werknemer van zijn BV te laten aanmerken.
Eenmaal gemaakte keuzes zijn definitief. Het verzekerde pensioen retourneren
naar de eigen BV is dus niet meer mogelijk. Andersom geldt dit ook. Kiest de
DGA voor het houden van pensioen in eigen beheer, dan bestaat vanaf 1 januari
2008 geen mogelijkheid meer om het pensioen bij een verzekeraar onder te brengen.
Let op: het betreft echter een wetsvoorstel en met name over de positie van
de DGA hebben verschillende fracties al vragen gesteld. De kamerbehandeling
zou derhalve nog tot aanpassingen kunnen leiden.
(september 2006).
Wet consumentenbescherming door Tweede Kamer
Onlangs heeft de Tweede Kamer ingestemd met het wetsvoorstel handhaving consumentenbescherming.
Het belangrijkste onderdeel van het voorstel is het oprichten van een Consumentenautoriteit.
De Consumentenautoriteit neemt burgers in bescherming tegen inbreuken op consumentenrechten
door bedrijven. Zo let de Consumentenautoriteit op onredelijke algemene voorwaarden
bij een product, ‘de kleine lettertjes’.
In tegenstelling tot de particuliere Consumentenbond is de Consumentenautoriteit
een publieke toezichthouder. ‘De autoriteit handhaaft de wet en kan boetes
of een dwangsom opleggen of naar de rechter stappen. De autoriteit zal veel
contact onderhouden met consumenten- en werkgeversorganisaties en toezichthouders
als de OPTA en NMa-Dte. Klachten die zij binnenkrijgen, kunnen een signaal voor
de Consumentenautoriteit zijn dat er sprake is van een collectieve inbreuk op
het consumentenrecht. Na behandeling in de Eerste Kamer gaat de Consumentenautoriteit,
een dienst van het ministerie van Economische Zaken, nog voor januari 2007 volledig
van start.
(september 2006).
Eerstedagsmelding
In de strijd tegen illegale tewerkstelling, zwart werk en daarmee samenhangende
fraude, is binnenkort een nieuwe maatregel voorhanden: de verplichte eerstedagsmelding
(EDM). Werkgevers dienen nieuwe dienstverbanden uiterlijk op de dag vóór
aanvang van de werkzaamheden aan te melden.
De eerstedagsmelding wordt 4 juli 2006 ingevoerd. Net als de loonaangifte moet
de EDM in principe elektronisch plaatsvinden, maar de inspecteur kan daar ontheffing
voor verlenen. In dat geval kan er een speciaal meldingsformulier gebruikt worden.
De melding dient te bevatten de bedrijfsnaam, de naam van de werknemer, het
SoFi-nummer en de datum van indiensttreding.
De Belastingdienst zal bij een controle op de werkplek, nagaan of een werknemer
is aangemeld. Als er geen eerstedagsmelding is gedaan voor de werknemer, dan
zal de Belastingdienst ervan uitgaan dat er sprake is van een fictief dienstverband
van zes maanden. Een werkgever kan niet meer beweren dat een werknemer pas op
de dag van de controle bij hem begonnen is met werken, zoals bij illegale tewerkstelling
vaak gebeurt. Werkgevers kunnen een naheffingsaanslag en een boete opgelegd
krijgen.
(juni 2006).
Boetes voor MOT-overtreding fors omhoog
Vanaf mei van dit jaar zijn de sancties voor het overtreden van de Wet MOT
(Melding Ongebruikelijke Transacties) fors verhoogd. De FIOD-ECD kan na controle
boetes opleggen tot bijna € 22.000 per overtreding.
Veel ondernemers zijn al een aantal jaren verplicht om contante betalingen van
€ 15.000 of meer en andere financiële transacties die ongebruikelijk
zijn te melden bij het speciaal daarvoor in het leven geroepen Meldpunt Ongebruikelijke
Transacties. Dit geldt ook voor cheques aan toonder. Vanaf mei staan daar flinke
boetes tegenover. De FIOD-ECD controleert op de juiste toepassing van de Wet
MOT bij handelaren van zaken in grote waarde (auto’s, kunst en antiek,
schepen, veilinghuizen en juweliers) en makelaars. Die controles zijn reguliere
boekencontroles bij bedrijven die ‘gevoelig’ kunnen zijn voor ongebruikelijke
transacties of controles naar aanleiding van informatie van derden. Het is belangrijk
dat meldingsplichtigen zich bewust zijn van mogelijke financiële gevolgen
van het niet-melden van een ongebruikelijke transactie. Een ondernemer bij wie
meerdere overtredingen worden geconstateerd kan namelijk voor elk van die overtredingen
een boete opgelegd krijgen.
De Wet Melding Ongebruikelijke Transacties is in 1994 van kracht geworden om
het rondgaan van crimineel geld in de samenleving tegen te gaan. Daarbij werd
vooral gedacht aan witwassen en terrorismefinanciering. Banken en andere financiële
instellingen moeten sinds 1994 ongebruikelijke transacties melden. In 2001 is
deze wet ook van toepassing verklaard op handelaren in zaken van grote waarde,
zoals autodealers, verkopers van boten etc. In juni 2003 is de reikwijdte van
de wet verder uitgebreid tot dienstverleners zoals advocaten, accountants, makelaars,
belastingadviseurs en notarissen.
(juni 2006).
Werkgevers mogen wettelijke vakantiedagen niet afkopen
Nederlandse werknemers hebben wettelijk recht op minstens vier weken vakantie
per jaar bij een fulltime dienstverband. Wie het wettelijke aantal dagen niet
heeft opgemaakt, mag deze niet uitbetaald krijgen, ook niet als het om dagen
gaat die zijn meegenomen uit een eerder jaar. Aldus luidt een advies van de
advocaat generaal van het Europese Hof van Justitie, dat dit oordeel binnenkort
waarschijnlijk zal overnemen. Als het advies wordt ingevoerd, mogen er alleen
nog maar bovenwettelijke dagen worden uitbetaald. Dat betekent dat de werkgever
voortaan precies moet gaan administreren op hoeveel wettelijke en bovenwettelijke
vakantiedagen zijn of haar personeel nog recht heeft.
(juni 2006).
Cadeaus aan derden
Werkgevers die aan zakelijke relaties een cadeau geven, kunnen de verschuldigde
belasting onder voorwaarden via de eindheffing loonbelasting voor hun rekening
nemen. De relatie hoeft het cadeau dan niet in zijn aangifte inkomstenbelasting
op te nemen.
Het percentage waartegen de eindheffing moet worden berekend bedraagt:
45%, met betrekking tot een verstrekking waarvan de waarde in het economische
verkeer niet meer bedraagt dan € 136;
75%, met betrekking tot een verstrekking waarvan de waarde in het economische
verkeer meer bedraagt dan € 136.
Afdracht via de eindheffing is overigens slechts mogelijk indien:
de verstrekker schriftelijk mededeling doet aan de relatie en aannemelijk kan
maken wie de ontvanger is van de verstrekking;
de geschenken ook aan de eigen werknemers worden verstrekt;
het totaal van de geschenken niet meer bedraagt dan € 272 per jaar.
De regeling geldt overigens ook voor spaarpunten en goederen en diensten in
de promotionele sfeer. Toepassing in deze gevallen is echter niet gebonden aan
een maximum.
(juni 2006).
Werken aan winst op een rij
De concurrentiepositie van Nederland wordt sterk verbeterd. De belasting op
winst wordt gemoderniseerd. Belangrijkste doel van deze modernisering is om
meer bedrijven in Nederland te houden en om meer bedrijvigheid aan te trekken.
“Als Nederland zich blijvend in de shortlist van investeerders weet te
positioneren is dat goed voor het groeivermogen van onze economie”, aldus
staatssecretaris Wijn in het voorwoord van de nota ‘Werken aan Winst’.
In de nota wordt het volgende voorgesteld:
· In de inkomstenbelasting wordt een MKB-winstvrijstelling ingevoerd
van 10% van de belastbare winst (dus na toepassing ondernemersaftrek) van ondernemers
die voldoen aan het urencriterium.
· Het algemene tarief in de vennootschapsbelasting wordt in 2007 verlaagd
naar 25,5%.
· Er komen nu tweeMKB-tarieven. Het MKB-tarief over de eerste €
25.000 zal 20% gaan bedragen. Het tweede MKB-tarief over de volgende €
35.000 zal 23,5% gaan bedragen.
· Overwogen wordt een apart tarief van 5% in te voeren dat het saldo
van ontvangen en betaalde rente op groepsleningen gaat belasten (de zogenaamde
groepsrentebox).
De Tweede Kamer fracties hebben tot en met juni 2006 de tijd om schriftelijk
vragen in te dienen.
(juni 2006).
Vraag vóór 1 juli ‘buitenlandse BTW’
terug
Heeft u in 2005 buitenlandse BTW betaald? Vraagt u die dan zo snel mogelijk
terug. U kunt uiterlijk tot 1 juli 2006 deze BTW terugvragen. Vóór
die datum moet u uw teruggavenverzoek indienen bij de belastingdienst van het
betreffende EU-land. Binnen zes maanden moet de buitenlandse bevoegde belastingdienst
u laten weten wat de beslissing is op het verzoekschrift en eventueel teruggaaf
verlenen. Bent u in het buitenland zelf aangifteplichtig voor de omzetbelasting?
Dan kunt u de in rekening gebrachte ‘BTW’ reeds in uw aangifte verrekenen.
Het teruggaveformulier kunt u bij de Nederlandse Belastingdienst en bij de buitenlandse
belastingadministratie aanvragen. Er gelden wel drempels voor de teruggaaf.
Deze drempels zijn niet in alle EU-landen gelijk. U kunt bij ons terecht voor
meer informatie of om het verzoek voor u in te dienen.
(juni 2006).
Meewerkende ongehuwde partner is ook familie
Wanneer u een familielid in uw bedrijf laat meewerken, kan het zo zijn dat
u geen premies hoeft af te dragen voor de werknemersverzekeringen. Voorwaarde
voor deze familieverhouding is dat het gaat om een met u gehuwde partner of
bloedverwanten tot in de tweede graad. Hier is nu verandering in gekomen. Als
u ongehuwd samenwoont met uw partner, maar wel een samenlevingsovereenkomst
heeft, valt ook deze partner onder het begrip familieverhouding. De Centrale
Raad van Beroep heeft dat onlangs beslist. De Centrale Raad had in 1977 nog
bepaald dat de uitzondering voor de familieverhouding alleen beperkt bleef tot
gehuwden en hun bloedverwanten. De Centrale Raad heeft die uitspraak in de daaropvolgende
jaren niet verlaten, maar heeft nu erkend dat die uitspraak door de tijd is
achterhaald.
(juni 2006).
Bijbaantjes, kinderbijslag en studiefinanciering
Hoeveel mogen uw kinderen nou eigenlijk bijverdienen zonder dat het gevolgen heeft voor de kinderbijslag of studiefinanciering? En hoe zit het met vakantiewerk? Hieronder de regels op een rij:
Kinderbijslag
Is uw kind nog geen 16 jaar en woont hij of zij nog thuis, dan mag uw kind
bijverdienen zonder dat de kinderbijslag in gevaar komt.
Is uw kind 16 of 17 jaar en nog thuiswonend, dan mag per drie maanden maximaal
€ 1.175 netto worden bijverdiend.
Ontvangt u dubbele kinderbijslag voor uw kind, dan mag per drie maanden niet
meer dan
€ 781 netto worden bijverdiend.
Is uw kind niet thuiswonend en ontvangt u kinderbijslag, dan mag uw kind per
kwartaal maximaal € 1.662 netto bijverdienen.
Ontvangt u dubbele kinderbijslag, maar woont uw kind niet meer thuis, dan mag
niet meer dan € 1.024 netto per drie maanden worden bijverdiend.
In de vakantiewerkperiode (de maanden juni, juli en augustus) mag op bovenstaande
bedragen nog wat extra worden bijverdiend met een vakantiebaantje: € 1050
netto om precies te zijn. Let op dat dit alleen echt vakantiewerk is. Het mogen
dus geen werkzaamheden zijn die ook buiten deze maanden worden uitgevoerd.
Geld dat via een Tj-biljet is verkregen, geldt als inkomen. Alles wat boven
de € 800 wordt ontvangen, moet worden gemeld bij de instantie die de kinderbijslag
uitbetaalt, de Sociale Verzekeringsbank (SVB).
Studiefinanciering
Ontvangt uw kind in 2006 studiefinanciering, dan mag per jaar netto €
10.527,57 worden bijverdiend. Houd dit goed in de gaten, want wie boven dat
bedrag komt, moet de studiefinanciering stopzetten en de OV-studentenkaart inleveren.
Let op dat uw zoon of dochter dit niet vergeet of gewoonweg weigert te doet.
Het teveel verdiende geld dient met rente te worden terugbetaald en daar komt
een boete van € 136 per maand bovenop.
Het bedrag dat in 2006 mag worden bijverdiend geldt tot 1 januari 2007.
(juni 2006).
Belastingdienst op de stoep
Iedereen kan een keer aan de beurt komen voor een belastingcontrole. U heeft
uiteraard alles op orde, dus is er geen reden tot paniek. Maar geregeld bereikt
ons de vraag in hoeverre medewerking moet worden verleend aan de inspecteur.
Moet u echt álles laten zien? Daar kunnen we kort op antwoorden: Ja,
inderdaad. U bent verplicht mee te werken. De controleurs mogen alles inzien
wat te maken heeft met uw fiscale heffing. En met alles bedoelen we ook alles.
Naast de balans en winstverliesrekening, kunnen zij ook vragen naar nota’s,
kwitanties, calculaties en brieven.
Er is wel een uitzondering: de vertrouwelijke correspondentie en fiscale adviezen
van uw belastingadviseur. Deze informatie mogen de inspecteurs kort inzien om
te bepalen of het daadwerkelijk gaat om documenten die zij niet mogen inzien.
Een andere uitzondering zijn de medische gegevens van uw personeel.
Wanneer de fiscus informatie wil over derden, dient u tevens mee te werken.
In dit geval gaat de inlichtingenplicht net zo ver als bij een onderzoek naar
uw administraties. De controleurs zijn niet verplicht vooraf te vertellen om
wie het gaat. U bent dus verplicht mee te werken aan onderzoek naar collega-ondernemers.
U kunt zich wel voorbereiden op een controle. De fiscus mag namelijk niet zomaar
binnenvallen. De FIOD mag dit wel, maar dan heeft een bedrijf aardig wat op
de kerfstok. Belt de Belastingdienst voor een afspraak, dan kunt u rustig contact
met ons opnemen. Dan bepalen we het plan van aanpak en zorgen we voor een soepele
controle.
(juni 2006).
Werkgevers en werknemers krijgen meer vrijheid bij invullen arbobeleid
Werkgevers en werknemers krijgen vanaf volgend jaar meer ruimte om samen het
eigen arbobeleid in te vullen. Ze worden nauwer betrokken bij de uitvoering
van het beleid, waardoor de kwaliteit ervan verbetert. Dat staat in een voorstel
voor een nieuwe Arbeidsomstandighedenwet die staatssecretaris Van Hoof van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid naar de Tweede Kamer heeft gestuurd.
In de nieuwe wet komen zo min mogelijk Haagse regels bovenop de regels van de
Europese Unie. Alleen als er sprake is van zeer ernstige risico’s, maakt
Van Hoof een uitzondering. Bijvoorbeeld bij het werken met professioneel vuurwerk
of bij het vervangen van producten met vluchtige organische stoffen.
(juni 2006).
Uitstel verplichte roetfilters op diesels
Nederland mag roetfilters op dieselauto's niet per 1 januari volgend jaar verplicht
stellen. Dat blijkt uit een uitspraak van de Europese Commissie. Op z'n vroegst
vanaf 2009 mag het roetfilter wel worden verplicht. Volgens de Commissie verstoort
de maatregel de interne Europese markt. Nederland ontzegt daarmee dieselauto's
zonder filter de toegang tot de Nederlandse markt.
(juni 2006).